Naar de inhoud
Herbs & Cultures

Geschiedenis en vandaag

Culturen en tradities

Hoe gemeenschappen over de hele wereld kennis van planten opbouwden en doorgaven, van Ayurveda tot Rongoā Māori, en hoe die kennis vandaag voortleeft.

Tijdsaanduidingen verwijzen waar mogelijk naar bronnen of vastgelegde teksten. Veel mondelinge kennis is ouder dan haar eerste schriftelijke vermelding.

Culturen en tradities

Afrika

Bekijk regio →

Schriftelijke bronnen vanaf ca. 1550 v.Chr.

Het oude Egypte heeft een van de oudste geschreven geneeskundes ter wereld nagelaten. Al in het Oude Rijk, ruim 4500 jaar geleden, worden artsen bij naam genoemd. Hesy-Ra droeg rond 2600 v.Chr. de titel "hoofd van de tandartsen", en Peseshet wordt genoemd als "opzichteres van de vrouwelijke artsen". De belangrijkste bronnen zijn medische papyri. De Kahun-papyrus, rond 1800 v.Chr., gaat over vrouwengeneeskunde. De Edwin Smith-papyrus, rond 1600 v.Chr. en een afschrift van een nog oudere tekst, beschrijft verwondingen van hoofd tot romp in een opvallend nuchtere volgorde: onderzoek, diagnose, en het oordeel of een letsel te behandelen is. De Eberspapyrus, rond 1550 v.Chr., telt 110 bladzijden met zo'n 700 tot 800 recepten, geordend naar organen en klachten. Egyptische geneeskunde maakte indruk op buren. De Griekse geschiedschrijver Herodotos schreef dat Egypte vol artsen zat, elk gespecialiseerd in één kwaal. De bouwmeester Imhotep, die rond 2650 v.Chr. leefde, werd eeuwen later als god van de genezing vereerd, en de Grieken zagen in hem hun eigen Asklepios.

Generaties lang doorgegeven; geen enkel startjaar

Afrika is een continent van ruim vijftig landen en duizenden volken en talen. Er bestaat dus niet één Afrikaanse geneeskunde. Wel delen veel tradities een paar kenmerken: kennis is vaak mondeling, verbonden met een bepaalde streek en gemeenschap, en gezondheid gaat over meer dan het lichaam alleen. De geschiedenis van die kennis is grotendeels niet opgeschreven, maar ze is oud. Planten die mensen nu nog gebruiken, zoals de baobab en de sheaboom, zijn al eeuwen onderdeel van voeding, handel en zorg. Kennis reisde mee langs handelsroutes door de Sahara, langs de Swahilikust en over de Nijl, en vermengde zich met islamitische, Arabische en later Europese invloeden. Er zijn ook geschreven tradities. In Ethiopië bestaan eeuwenoude geneeskundige handschriften in het Ge'ez, de liturgische taal van de Ethiopisch-orthodoxe kerk, met recepten en gebeden. In West-Afrikaanse steden als Timboektoe bewaarden geleerden manuscripten waarin ook geneeskunde voorkomt. De koloniale tijd zette traditionele zorg onder druk. Koloniale besturen en zendingen bestreden vooral de spirituele kanten ervan als bijgeloof. Na de onafhankelijkheid zochten veel landen naar een manier om traditionele en biomedische zorg naast elkaar te laten bestaan.

Gebruik van vóór kolonisatie; kennis doorgegeven over generaties

De Khoi en de San, samen vaak Khoisan genoemd, behoren tot de oudste bewoners van zuidelijk Afrika. De San leefden eeuwenlang als jagers en verzamelaars, de Khoi als veehouders. Hun kennis van het droge, plantenrijke landschap van de Kaap is diep en oud. Rooibos (Aspalathus linearis) groeit van nature alleen in een klein gebied rond het Cederberggebergte in de West-Kaap. Inheemse bewoners verzamelden de naaldvormige blaadjes, kneusden ze, lieten ze fermenteren en droogden ze in de zon. Zo ontstond de rode thee die nu wereldwijd bekend is. Met de Europese kolonisatie raakten Khoi en San een groot deel van hun land en hun leefwijze kwijt. Kolonisten namen de rooibos over. In 1904 begon de handelaar Benjamin Ginsberg rooibos te verkopen, en in de jaren dertig lukte het om de plant te telen. Zo groeide rooibos uit tot een groot exportproduct, zonder dat de oorspronkelijke kennisdragers daar iets van terugzagen. Daar kwam verandering in. In november 2019 tekenden de rooibosindustrie en de raden van de Khoi en San een overeenkomst, de eerste in zijn soort ter wereld. De gemeenschappen ontvangen sindsdien een heffing van anderhalf procent van de prijs die boeren voor rooibos krijgen.

Kruiden in deze traditie (7)

Eeuwenoude, levende praktijk; verschilt per volk en streek

In heel zuidelijk Afrika, onder Zulu, Xhosa, Sotho, Tswana, Venda en andere volken, spelen traditionele genezers al eeuwen een grote rol. Ze worden geraadpleegd bij ziekte, maar ook bij tegenslag, conflict, en belangrijke momenten in het leven. In de koloniale tijd en tijdens de apartheid werden genezers gewantrouwd en tegengewerkt. Zo verbood de Witchcraft Suppression Act van 1957 het "beoefenen van hekserij" en waarzeggen. Toch bleven mensen naar genezers gaan, vaak naast een bezoek aan een kliniek. Na de apartheid koos Zuid-Afrika voor erkenning. In 2007 nam het parlement de Traditional Health Practitioners Act aan. Die wet erkent onder meer waarzeggers en kruidkundigen als traditionele zorgverleners en stelt een raad in die registratie, opleiding en gedrag regelt.

Lange geschiedenis; nog dagelijks in gebruik

De kolanoot is het zaad van de kolaboom, die groeit in de regenwouden van West-Afrika. Er zijn twee belangrijke soorten: Cola nitida, met noten die in twee delen uiteenvallen, en Cola acuminata, met noten van drie tot zes delen. De noten bevatten cafeïne en theobromine, en kauwen erop verdrijft vermoeidheid en honger. Kolanoten zijn al eeuwen een belangrijk handelsproduct. Ze werden vanuit het bosgebied, onder meer het gebied van de Asante in het huidige Ghana, naar het noorden vervoerd: naar de Hausa-steden in het huidige Nigeria en verder, over de Sahara. Omdat de islam alcohol verbiedt maar kola niet, werd de noot in de Sahel en Noord-Afrika een geliefd genotmiddel. De handel was groot en goed georganiseerd. Karavanen met dragers en ezels brachten de noten, die vochtig gehouden moesten worden om niet uit te drogen, over grote afstanden.

Kruiden in deze traditie (2)

Culturen en tradities

Noord-Amerika

Bekijk regio →

In de zuidelijke Appalachen sinds eeuwen; een levende traditie

De Cherokee noemen zichzelf Aniyvwiya, 'de echte mensen', of Tsalagi. Ze woonden in een groot gebied in de zuidelijke Appalachen, in wat nu North en South Carolina, Georgia, Tennessee, Alabama en Virginia zijn. Hun dorpen lagen langs rivieren als de Oconaluftee, de Tuckasegee en de Little Tennessee. De moederstad was Kituwah, aan de Tuckasegee, en een van de oude namen van het volk is Ani-Kituwah, 'de mensen van Kituwah'. Rond 1821 bedacht Sequoyah een schrift voor het Cherokee, en binnen een paar jaar konden duizenden Cherokee lezen en schrijven. In 1828 verscheen de Cherokee Phoenix, de eerste inheemse krant van Noord-Amerika. Kort daarna, met de Indian Removal Act van 1830 en een verdrag dat de meeste Cherokee nooit hadden aanvaard, werden ze van hun land verdreven. In 1838 en 1839 dreef het Amerikaanse leger hen naar het Indianenterritorium, het huidige Oklahoma. Op dat Pad der Tranen stierven er misschien vierduizend, bijna een vijfde van het volk. Een paar honderd verborgen zich in de bergen of mochten blijven; uit hen kwam de Eastern Band voort. Aan het eind van de jaren 1880 werkte de etnoloog James Mooney bij de Eastern Band. Van de genezer Ayunini, Swimmer, en anderen kreeg hij schriften met heilige formules, in het schrift van Sequoyah opgeschreven. Hij publiceerde ze in 1891 en de verhalen in 1900. Een eeuw later schreef J. T. Garrett, zelf lid van de Eastern Band en jarenlang directeur van het Cherokee-ziekenhuis, op wat ouderen hem over de planten hadden geleerd.

Het verbond van de Vijf Naties ontstond tussen 1400 en 1600; een levende traditie

De Haudenosaunee, 'het volk van het langhuis', worden in het Nederlands ook Irokezen genoemd. Oorspronkelijk waren het vijf naties in wat nu de staat New York is. Van oost naar west waren dat de Mohawk (Kanien'kehá:ka), de 'hoeders van de oostelijke deur', de Oneida, de Onondaga, de 'vuurhoeders' bij wie de raad bijeenkwam, de Cayuga en de Seneca, de 'hoeders van de westelijke deur'. In het begin van de achttiende eeuw sloten de Tuscarora uit het zuiden zich aan, en sindsdien spreekt men van de Zes Naties. Volgens de overlevering bracht de Vredestichter, samen met zijn woordvoerder Hiawatha, de verdeelde volken tot vrede onder de Grote Wet van de Vrede. De witte den werd het symbool van het verbond: de Boom van de Vrede, waaronder de wapens werden begraven. Archeologen plaatsen het ontstaan van het verbond ergens tussen 1400 en 1600. De Haudenosaunee woonden in dorpen met langhuizen, bekleed met de bast van de iep. Families waren matrilineair: je hoorde bij de clan van je moeder, en de oudste vrouwen van een clan kozen de hoofden en konden hen ook weer afzetten. Vrouwen bewerkten de akkers met maïs, bonen en pompoen, de Drie Zusters. Mannen jaagden, visten en voerden oorlog. Al in de winter van 1535 op 1536 genas de bemanning van Jacques Cartier bij het huidige Quebec van scheurbuik met een aftreksel van de annedda, een groenblijvende boom die de inheemse bewoners hun aanwezen. Die bewoners waren Irokezen van de Sint-Laurensrivier, verwant aan de Vijf Naties maar een ander volk, dat later verdween. In de zeventiende en achttiende eeuw beheersten de Haudenosaunee een groot gebied en speelden ze de Nederlanders, Fransen en Engelsen tegen elkaar uit. In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog kozen de meeste naties de kant van de Britten. In 1779 verwoestte het leger van Sullivan en Clinton tientallen dorpen en akkers. Veel Haudenosaunee trokken daarna naar Canada, onder meer naar de Grand River in Ontario; anderen bleven op reservaten in New York. Op het reservaat brak een moeilijke tijd aan, met drankzucht, ruzie en beschuldigingen van hekserij. In 1799 kreeg de Seneca Handsome Lake visioenen. Zijn leer, de Gaiwiio of het Goede Woord, verbood alcohol, hekserij, liefdesmiddelen en abortus en gaf de oude ceremonies een nieuwe plaats. Daaruit groeide de langhuisgodsdienst, die nog altijd bestaat.

Op de noordelijke prairies sinds de achttiende eeuw; een levende traditie

De Lakota zijn het westelijkste volk van de Oceti Sakowin, de Zeven Raadsvuren, die buitenstaanders de Sioux noemden. Hun oostelijke verwanten zijn de Dakota en de Nakota. De Lakota zelf bestaan uit zeven groepen, onder wie de Oglala, de Sičháŋǧu (Brulé) en de Hunkpapa. In het Engels worden ze ook Teton-Sioux genoemd. Volgens de geschiedschrijving woonden hun voorouders bij de westelijke Grote Meren en werden ze in de zeventiende eeuw door de Anishinaabe en de Cree naar het westen gedrongen. Rond 1730 kregen ze het paard, en de jacht op de bizon werd hun bestaan. Volgens hun eigen overlevering kwam het volk ooit uit Wind Cave in de Black Hills tevoorschijn; hun trek naar het westen was dus een terugkeer naar huis. De Black Hills, Ȟe Sápa, werden het centrum van hun land. In de verhalen bracht de Witte Bizonkalfvrouw de heilige pijp en leerde ze het volk de ceremonies. In de negentiende eeuw sloten de Lakota verdragen met de Verenigde Staten, in 1851 en 1868, die hun de Black Hills toezegden. Toen daar goud werd gevonden, hield de regering zich niet meer aan het verdrag. Na de Slag bij de Little Bighorn in 1876 werden de groepen naar reservaten gedwongen. In 1890 werd Sitting Bull op Standing Rock gedood, en twee weken later doodde het leger bij Wounded Knee meer dan 250 Lakota, onder wie veel vrouwen en kinderen. Op de reservaten verbood de regering de Zonnedans en andere ceremonies. Rond 1912 schreef de etnologe Frances Densmore dat het genezen met heilige stenen en het bezweren van zieken verboden waren, maar dat enkele oude mannen zieken met kruiden mochten blijven behandelen.

Rond de Grote Meren; de Midewiwin bestaat al eeuwen en leeft nog

Anishinaabe is de naam van een familie van volken rond de Grote Meren: de Ojibwe, die in de Verenigde Staten ook Chippewa heten, de Odawa, de Potawatomi, de Mississauga, de Nipissing en de Algonquin. De Ojibwe, Odawa en Potawatomi vormden samen de Raad van Drie Vuren, waarin de Ojibwe de 'hoeders van het geloof' waren. Volgens de overlevering, die ook op berkenbastrollen is vastgelegd, woonden de Anishinaabeg vroeger aan de Atlantische kust, bij de monding van de Sint-Laurens. Zeven profeten, de zeven vuren, voorspelden hun toekomst. Een schelp, de miigis, wees hun de weg naar het westen, naar 'de plek waar voedsel op het water groeit'. Die plek vonden ze bij de meren waar wilde rijst groeit. In de achttiende en negentiende eeuw sloten de Anishinaabeg verdragen met Britten, Canadezen en Amerikanen. Veel Potawatomi werden naar het westen verdreven. Kinderen moesten naar kostscholen, waar hun taal verboden was.

Aan de noordwestkust van Canada; opgetekend door George Hunt en Franz Boas, 1890–1930; een levende traditie

De Kwakwaka'wakw zijn 'de mensen die Kwak'wala spreken'. Ze wonen op het noorden van Vancouvereiland, op de eilanden ernaast en op de kust van British Columbia ertegenover. De oude naam Kwakiutl komt van Kwagu'ł, één gemeenschap bij Fort Rupert, waar Franz Boas het meeste werk deed; de naam werd later ten onrechte voor alle Kwak'wala-sprekers en zelfs voor hun buren gebruikt. Elke natie heeft eigen clans, hoofden en verhalen. Families, de na'mima, hebben erfelijke rangen, namen, liederen en dansen, die bij een potlatch worden getoond en bevestigd. Bij zo'n feest geeft de gastheer de gasten veel weg; wie meer geeft, wint meer aanzien. Ook koperen platen hadden grote waarde. Na het eerste contact met Europeanen in 1792 kwamen de ziekten. Tussen 1830 en 1880 daalde het aantal Kwakwaka'wakw met driekwart; de pokkenepidemie van 1862 alleen al doodde meer dan de helft. In 1885 verbood Canada de potlatch, op straffe van gevangenis. De feesten werden in het geheim voortgezet. Bij het handhaven van het verbod werden honderden maskers en andere feestvoorwerpen in beslag genomen. Pas in 1951 werd het verbod geschrapt. Kinderen moesten naar kostscholen, waar Kwak'wala verboden was.

In de Hoopa-vallei in Noord-Californië sinds ongeveer 1000 na Christus; een levende traditie

De Hupa noemen zichzelf Natinixwe, 'de mensen van de plek waar de paden terugkeren'. Ze wonen in de Hoopa-vallei aan de Trinity, vlak boven de plek waar die in de Klamath stroomt, in het noordwesten van Californië. Hun taal is Athabaskisch, verwant aan talen in Alaska en Canada en aan die van de Diné en de Apache. Volgens de geschiedschrijving kwamen ze rond het jaar 1000 uit het noorden. Hun huizen van cederplanken, hun kano's en hun gevlochten hoeden lijken op die van de volken in het noorden; het zweethuis en het eikelbrood namen ze over van hun Californische buren. Tot de goudkoorts van 1849 hadden de Hupa weinig contact met buitenstaanders. Toen kwamen mijnwerkers het dal in. In 1864 tekende de regering een verdrag dat het land van de Hupa erkende, en het Hoopa Valley-reservaat werd ingesteld. Zo behoren de Hupa tot de weinige Californische volken die nooit van hun land zijn verdreven. Het eerste wezen in hun verhalen is Yimantuwinyai. Hij trok door de wereld voordat de mensen er waren, en maakte veel dingen zoals ze nu zijn. Toen een jaloerse man hem met een giftige pijl in de mond schoot, rolde hij in razernij rond tot hij onder een Californische laurier bijkwam. Op die plek groeide een kruid, Scoulers hertshooi, dat hij in de mond nam en tot medicijn maakte. Later werd hij wakker met een opgezwollen buik, zag roodhoutklaverzuring staan, kauwde die en genas. 'Deze plant wordt een medicijn voor de mensen', zei hij. Toen ging hij over de oceaan naar het noorden en zei tegen zijn grootmoeder: 'Ik heb de medicijnen voor de mensen gemaakt.'

Duizenden jaren; per volk en gebied verschillend

Noord-Amerika telt honderden inheemse volken, elk met een eigen taal, cultuur en kennis van planten en genezing. Die kennis is duizenden jaren oud en werd vooral mondeling en via ceremonies doorgegeven. Europeanen leerden veel van inheemse genezers. Een bekend voorbeeld is de winter van 1535 op 1536, toen de bemanning van Jacques Cartier bij het huidige Quebec aan scheurbuik leed. Ze werden genezen met een aftreksel van een boom, de annedda, waarschijnlijk de westerse levensboom, op aanwijzing van Domagaya, een zoon van het Iroquese opperhoofd Donnacona. Tegelijk werden inheemse tradities zwaar onderdrukt. In de Verenigde Staten verbood de Code of Indian Offenses van 1883 veel ceremonies. In Canada was de potlatch van 1884 tot 1951 verboden. Pas in 1978 beschermde de American Indian Religious Freedom Act het recht van inheemse Amerikanen om hun religie te beleven, met inbegrip van ceremonies en gewijde planten.

Verenigde Staten, ca. 1830–1939

De eclectici waren een beweging van Amerikaanse artsen in de negentiende en vroege twintigste eeuw. Ze verzetten zich tegen de harde geneeskunde van hun tijd, met aderlatingen en giftige middelen als kwik. In plaats daarvan werkten ze vooral met planten. De beweging had wortels in de volksgeneeskunde van de kolonisten en in kennis van inheemse volken. Samuel Thomson, een kruidengenezer uit New Hampshire, liet in 1813 een eigen systeem patenteren, met lobelia en cayennepeper als belangrijkste middelen. Wooster Beach richtte in New York een opleiding op en noemde zijn benadering "reformgeneeskunde". Daaruit groeide de eclectische geneeskunde. Het Eclectic Medical Institute begon in 1833 in Worthington, Ohio, en had van 1845 tot 1939 studenten in Cincinnati.

Culturen en tradities

Midden-Amerika en Caraïben

Bekijk regio →

Prekoloniale wortels; hedendaagse gemeenschappen

De Maya leven al duizenden jaren in het zuiden van Mexico, Guatemala, Belize en delen van Honduras en El Salvador. In de klassieke periode, ruwweg van 250 tot 900, bouwden ze steden als Tikal, Palenque en Copán, en ontwikkelden ze een schrift, een kalender en een rijke kennis van planten en het menselijk lichaam. Over hun geneeskunde in die tijd weten we vooral indirect: uit afbeeldingen, uit resten in aardewerk en uit wat later is opgeschreven. Na de Spaanse verovering in de zestiende eeuw werden de meeste Maya-boeken verbrand. Wat overbleef, mengde zich met Spaanse en katholieke invloeden. Toch leven de tradities voort. Er zijn nu meer dan zes miljoen Maya, die ongeveer dertig verschillende Maya-talen spreken. Hun geneeskunde verschilt per streek, taal en dorp.

Kruiden in deze traditie (13)

Inheemse en Spaans-katholieke wortels; levend in Latijns-Amerika en de VS

Curanderismo is de traditie van de curanderos en curanderas, traditionele genezers in Mexico, Midden-Amerika en het zuidwesten van de Verenigde Staten. De naam komt van het Spaanse curar, genezen. De traditie heeft meerdere wortels. De Azteken en andere Mesoamerikaanse volken hadden een uitgebreide geneeskunde, met kennis van honderden planten. De Spanjaarden brachten de Europese leer van de lichaamssappen mee, de katholieke heiligen en eigen kruiden als wijnruit. Daarnaast speelden Afrikaanse en Arabische invloeden mee, via Spanje en via de slavenhandel. Uit die mengeling ontstond in de koloniale tijd het curanderismo. In Texas werd Don Pedrito Jaramillo (1829–1907) een beroemde genezer, die duizenden mensen hielp. In Mexico werden Teresa Urrea, de "Heilige van Cabora", en El Niño Fidencio legendarisch.

Cacaodranken aantoonbaar vanaf ca. 1900 v.Chr.

Cacao is ouder dan de beschavingen die hem beroemd maakten. De plant werd minstens 5300 jaar geleden gedomesticeerd door de Mayo-Chinchipe-cultuur in het huidige Ecuador, en kwam later in Mesoamerika terecht. Aardewerk uit Chiapas en Veracruz, uit ongeveer 1900 tot 1750 v.Chr., bevat resten van cacaodranken. De Olmeken, de Maya en de Azteken maakten van cacao een drank die de elite dronk bij feesten en ceremonies. Op Maya-vazen staat het woord kakaw in hiërogliefen. Bij de Azteken waren cacaobonen zo waardevol dat ze als betaalmiddel dienden. In de zestiende eeuw kwamen de Spanjaarden met cacao in aanraking. Ze voegden suiker toe, en via Spanje veroverde chocolade in de zeventiende eeuw Europa.

Kruiden in deze traditie (8)

Taíno-wortels; Afrikaanse en Europese invloeden sinds de 16e eeuw

Lang voor 1492 woonden de Taíno, de Kalinago en andere inheemse volken op de eilanden van de Caraïben. Ze kenden de planten van hun eilanden en gebruikten ze als voedsel, medicijn en bij ceremonies. Het woord tabak komt via het Spaans uit hun taal; de Taíno gebruikten tabak onder meer bij rituelen. Na de Spaanse verovering stierven de meeste Taíno aan geweld, dwangarbeid en nieuwe ziekten. Een deel van hun kennis leefde voort in de families en dorpen die volgden. Vanaf de zestiende eeuw werden honderdduizenden Afrikanen tot slaaf gemaakt en naar de plantages op de eilanden gebracht. Zij namen hun eigen kennis van planten mee en leerden de planten van hun nieuwe omgeving kennen. Uit die menging van inheemse, Afrikaanse, Europese en later ook Indiase en Chinese kennis groeide de kruidengeneeskunde die je nu op de eilanden vindt. Op de Engelstalige eilanden heet die bush medicine en bush tea, op Curaçao, Aruba en Bonaire rèmedi di tera.

Culturen en tradities

Zuid-Amerika

Bekijk regio →

Andes; kennis doorgegeven over generaties

De Kallawaya wonen in de provincie Bautista Saavedra, ten noorden van La Paz in Bolivia, in de dalen van het Apolobamba-gebergte rond het stadje Charazani, op ongeveer 2700 tot 5000 meter. Ze staan in de hele Andes bekend als rondtrekkende genezers. Volgens UNESCO gaan hun wortels terug tot vóór de Inca's, tot de culturen van Tiwanaku en Mollo. Het oudste spoor is een graf bij Niño Korin, vlak bij Charazani, uit de tijd van Tiwanaku, ruwweg 600 tot 1000 na Christus. Er lagen snuifplankjes, buisjes die als klisteerspuiten worden uitgelegd, een vijzel en bundels guayusablad dat na al die eeuwen nog cafeïne bevatte. Dat blad groeit niet in de Andes, maar in het Amazonelaagland. Volgens de antropoloog Joseph Bastien lag er ook een schedel met drie geboorde gaten waarvan het bot weer was aangegroeid: de patiënt had de operatie overleefd. Onder de Inca's hadden de Kallawaya een bijzondere plaats. Volgens de kronieken droegen zij de draagstoel van de Inca, en de kroniekschrijver Guaman Poma tekende hen zo aan het begin van de zeventiende eeuw. De historicus Thierry Saignes zocht in de archieven van La Paz, Sucre en Sevilla naar hun verleden. Volgens hem vormden de Kallawaya vóór de Inca's een eigen vorstendom op de oostflank van de Andes, van de bergketens van Carabaya en Apolobamba tot de warme heuvels richting het Amazonegebied. Carabaya en Callawaya zijn twee spellingen van dezelfde naam; de Spanjaarden splitsten het gebied later in een Peruaanse en een Boliviaanse helft. Een Kallawaya-hoofdman, Ari Capaquiqui, zou voor de Inca de weg naar het laagland van de 'Chunchos' hebben gevonden en mocht daarom zelf in een draagstoel reizen. Opvallend is dat geen enkele kroniekschrijver de Kallawaya als genezers noemt. Pas in 1766 beschreef de kanunnik Martín Landaeta mannen uit Charazani die met zakken harsen, wierook en geneeskrachtige kruiden het hele onderkoninkrijk doortrokken. Saignes denkt daarom dat de rondtrekkende genezers pas in de koloniale tijd zijn ontstaan, misschien zelfs pas in de achttiende en negentiende eeuw. In 1889 stuurde het departement La Paz een lijst van de planten van de 'Callahuaya' naar de wereldtentoonstelling in Parijs. Rond 1900 reisden genezers uit Chajaya en Curva te voet, per trein en per boot tot in Argentinië, Chili, Ecuador en Peru, en volgens de overlevering behandelden sommigen bij de aanleg van het Panamakanaal arbeiders tegen malaria en gele koorts. De Franse etnograaf Louis Girault hoorde dat het om zeven mannen uit Khanlaya ging, die via Peru en Ecuador en per stoomboot langs de kust van Colombia naar Panama reisden en er een paar maanden bleven. Verhalen dat Kallawaya in Tokio, Parijs of Rome zelfs een paus genazen, noemden zijn zegslieden verzinsels, al vonden ze het niet erg dat die de ronde deden. Toen er in de loop van de twintigste eeuw meer artsen en apotheken kwamen, werden de genezers bestreden: sommigen werden gearresteerd, anderen weggezet als heksenmeesters. In 2003 riep UNESCO de "Andeskosmovisie van de Kallawaya" uit tot meesterwerk van het immaterieel erfgoed, en in 2008 werd ze opgenomen op de representatieve lijst.

Kruiden in deze traditie (59)

Oude Guaraní-drank; vandaag gedeeld in delen van Zuid-Amerika

De Guaraní wonen al eeuwen in het gebied van het huidige Paraguay, het noordoosten van Argentinië, het zuiden van Brazilië en delen van Bolivia. Hun taal, het Guaraní, is in Paraguay een officiële taal naast het Spaans en wordt door het grootste deel van de bevolking gesproken. De Guaraní dronken al lang voor de Europeanen kwamen een aftreksel van de bladeren van maté (Ilex paraguariensis), in het Guaraní ka'a. Ze gebruikten het als drank, als middel en bij rituelen. In de zeventiende eeuw richtten jezuïeten in dit gebied missiedorpen in, de reducciones, waar Guaraní woonden en werkten. De jezuïeten slaagden erin maté te telen, die eerst alleen in het wild werd verzameld, en verkochten de bladeren in heel Zuid-Amerika als "jezuïetenthee". In 1767 werden de jezuïeten verdreven, maar het matédrinken bleef.

Kruiden in deze traditie (3)

Eeuwenoude kennis; de machi geneest tot op vandaag

De Mapuche, 'mensen van het land', zijn het grootste inheemse volk van Chili en wonen ook in Argentinië. Hun land ligt tussen de Stille Oceaan en de Andes, met gematigde regenwouden, meren en vulkanen. Lange tijd leefden de Mapuche van een combinatie van kleine tuinen, veeteelt, visserij en verzamelen. Ze kapten en brandden een stuk bos voor een moestuin en trokken verder als de grond uitgeput was. Wat het bos, de kust en de bergen opleverden, was minstens zo belangrijk als de oogst: vruchten, noten, wortels, paddenstoelen, zeewier en wilde granen. Spaanse kroniekschrijvers zagen dat verzamelen vaak over het hoofd, omdat zij vooral op akkerbouw letten. De Mapuche verzetten zich eeuwenlang tegen de Spanjaarden. Na de grote opstand van 1598 bleef het gebied ten zuiden van de rivier de Biobío onafhankelijk, en de Spaanse kroon sloot verdragen met hen. Pas aan het eind van de negentiende eeuw veroverden Chili en Argentinië hun land. De Mapuche werden op kleine stukken grond gezet, de reducciones. Rondtrekken kon niet meer, en het bos waaruit ze verzamelden, verdween voor een groot deel. Hun taal en geneeskunde werden lang onderdrukt. Toch bleef de geneeskunde bestaan. De machi, de lawentuchefe en de vroedvrouwen bleven werken, vaak in het verborgene en naast de Chileense zorg.

Duizenden jaren; honderden volken met eigen kennis

Het Amazonegebied is het grootste tropische regenwoud ter wereld. Het strekt zich uit over Brazilië, Peru, Colombia, Ecuador, Bolivia, Venezuela, Guyana, Suriname en Frans-Guyana. Er wonen honderden inheemse volken, elk met een eigen taal en eigen kennis van het bos. Mensen wonen hier al minstens tienduizend jaar. Ze veranderden het bos ook: ze teelden cassave, palmen en vruchtbomen en maakten vruchtbare zwarte aarde, terra preta. In het westen van het Amazonegebied, in het huidige Ecuador, werd Cacao al meer dan vijfduizend jaar geleden gebruikt. Na de komst van de Europeanen stierven veel mensen aan ziekten en geweld. Rond 1900 eiste de rubberhausse opnieuw een zware tol: in sommige streken werden hele volken tot dwangarbeid gedwongen en uitgemoord.

Kruiden in deze traditie (15)

Wortels in de Moche-cultuur (100–800); een levende traditie

Het noorden van Peru loopt van de kustwoestijn bij Trujillo, Chiclayo en Piura via het droogbos en de bergen tot in het Amazonegebied. Weinig streken ter wereld hebben zo'n rijke geneeskrachtige flora. De Peruaanse antropologe Lupe Camino noemde het noorden een deel van de 'gezondheidsas' van de Andes, een gebied van Zuid-Ecuador tot Noord-Bolivia waar genezers al heel lang planten verzamelen en ruilen. De traditie is oud. Archeologen vonden resten van de San Pedro-cactus op vindplaatsen die duizenden jaren oud zijn. De Moche, die tussen ongeveer 100 en 800 aan deze kust leefden, beeldden genezers af op hun aardewerk, net als de San Pedro, de zaden van cabalonga en die van ishpingo. In het graf van de Heer van Sipán, een Moche-vorst, zijn resten van zulke planten gevonden. Op het Moche-aardewerk staat ook een raadselachtige, kommavormige vrucht met een groot kelkje, die onderzoekers ulluchu noemen. Hij hangt aan de gordels van krijgers en boodschappers en zweeft rond priesters en offerscènes, en echte vruchten zijn in graven gevonden. Welke plant het is, weet niemand zeker. Bussmann en Sharon denken aan een Guarea, een boom uit het Amazonegebied waarvan de zaden giftige alkaloïden bevatten, en vermoeden dat de Moche die bij offers en misschien als snuif gebruikten. Dat is een hypothese, die nog niet door chemisch onderzoek is bevestigd. Ook de naam is onzeker: de archeoloog Rafael Larco Hoyle gebruikte hem in de jaren dertig, maar in de woordenboeken van het Mochica komt hij niet voor. Na de Spaanse verovering vermengde de inheemse geneeskunde zich met het katholicisme en met Spaanse ideeën over ziekte. In de jaren 1780 liet bisschop Baltasar Martínez Compañón van Trujillo alles in zijn bisdom beschrijven en schilderen, ook de nuttige planten. Volgens de botanicus Rainer Bussmann en de antropoloog Douglas Sharon wordt ongeveer 40 procent van die planten nog op de markten van de kust verkocht. Een derde wordt alleen nog in het Amazonegebied gebruikt, en de rest raakte in onbruik. Tegelijk kwamen er veel nieuwe planten bij. Volgens hen konden genezers in Peru vrijer experimenteren dan in Ecuador, waar traditionele geneeskunde lang werd vervolgd.

Kruiden in deze traditie (48)

In de Sibundoy-vallei in Zuid-Colombia sinds eeuwen; een levende traditie

De Sibundoy-vallei ligt op ruim tweeduizend meter hoogte in de Andes van het departement Putumayo, in het zuiden van Colombia. Ten oosten ervan dalen de bergen steil af naar het Amazonelaagland. Al eeuwen wonen er twee volken naast elkaar. De Kamëntšá, ook Camsá genoemd, spreken een taal die met geen enkele andere taal verwant is. De Inga spreken Inga Kichwa, een vorm van Quechua. Die taal kwam misschien met de Inca's of later met de missionarissen, en de Inga zelf zien zich als verwant aan de Inca's. Van het begin van de twintigste eeuw tot het eind van de jaren 1960 bestuurden kapucijner missionarissen de vallei. Ze namen veel van het land van de Kamëntšá en Inga in, lieten hen voor de missie werken en bestreden hun gebruiken. Toch bleef de kennis van de genezers bestaan. De genezers van Sibundoy heten taita's. Ze staan in heel Colombia bekend als kruidengenezers die rondtrekken en op de markten van Bogotá, Pasto en Quito planten verkopen en patiënten behandelen. Vanaf de jaren 1940 werkte de botanicus Richard Evans Schultes in de vallei met de Kamëntšá-taita Salvador Chindoy. Ook diens verwant Pedro Chindoy werd ver buiten de vallei bekend.

In de Vaupés in het noordwesten van de Amazone; een levende traditie

In het noordwesten van de Amazone, langs de Vaupés, de Apaporis, de Pirá Paraná en hun zijrivieren, op de grens van Colombia en Brazilië, wonen de Tukano-volken. Ze spreken verwante talen uit de Tukano-familie: de Tukano zelf, die zich ye'pâ-masa noemen, en de Desana, Barasana, Makuna, Wanano, Kubeo en anderen. Een man trouwt met een vrouw uit een groep met een andere taal. Daardoor groeien kinderen op met de taal van hun vader, die van hun moeder en vaak nog meer, en klinken in één maloca, het grote gemeenschapshuis, meerdere talen. Volgens hun verhalen kwamen de eerste mensen uit de Melkweg in een kano die door een anaconda werd getrokken: een man en een vrouw met drie planten, maniok, coca en yajé. Op hun weg stroomopwaarts stichtten ze de plaatsen van de volken. Bij de monding van de Pirá Paraná in de Apaporis, vlak bij de evenaar, staat een grote rotstekening die de plek aanwijst waar ze aankwamen. Vanaf de negentiende eeuw kwamen kooplieden, missionarissen en vooral rubberzoekers het gebied in. De Duitse etnoloog Theodor Koch-Grünberg, die er van 1903 tot 1905 woonde, zag bij zijn terugkeer verlaten dorpen en schreef over moord en mishandeling door de rubberbaronnen. Toch bleven grote delen van de Vaupés bewoond door de volken zelf, beschermd door watervallen en stroomversnellingen.

Culturen en tradities

Azië

Bekijk regio →

Zuid-Azië; klassieke teksten opgebouwd over eeuwen

Ayurveda betekent letterlijk "kennis van het leven": āyus is leven, veda is kennis. De wortels liggen diep in de geschiedenis van Zuid-Azië. In de Vedische teksten, vooral de Atharvaveda, komen al geneeskrachtige planten en spreuken tegen ziekte voor, maar een samenhangend medisch systeem tekent zich pas later af. Dat systeem kreeg vorm in drie klassieke werken die samen de Bṛhat Trayī heten, "de grote drie": de Charaka Samhita, over inwendige geneeskunde, de Sushruta Samhita, over chirurgie, en de Ashtanga Hridaya van Vagbhata. De eerste twee groeiden over eeuwen en kregen hun huidige vorm ruwweg tussen enkele eeuwen vóór en enkele eeuwen na het begin van onze jaartelling. Vagbhata vatte rond de zevende eeuw beide samen. Traditionele dateringen liggen vaak veel vroeger; historici houden het op deze voorzichtigere schattingen. Ayurveda stond nooit op zichzelf. Het beïnvloedde de Tibetaanse Sowa Rigpa en ontmoette Unani, de Grieks-Arabische geneeskunde die met islamitische vorsten naar India kwam. Onder Brits koloniaal bestuur werd westerse geneeskunde de officiële norm. Vanaf het eind van de negentiende eeuw bouwden Indiase hervormers Ayurveda opnieuw op, met eigen colleges, apotheken en gestandaardiseerde middelen. Daarom ziet de Ayurveda van nu er op veel punten anders uit dan de klassieke praktijk.

Kruiden in deze traditie (278)

Klassieke geschriften uit de eerste eeuwen v.Chr. en n.Chr.

De Chinese geneeskunde is een van de oudste doorlopende geneestradities ter wereld. In een graf bij Mawangdui, gesloten in 168 v.Chr., vonden archeologen zijdemanuscripten met recepten tegen tweeënvijftig kwalen. Ze laten zien hoe oud de kennis al was. De klassieke basis ligt in een paar grote werken. De Huangdi Neijing, de "Innerlijke klassieker van de Gele Keizer", kreeg in de laatste eeuwen v.Chr. vorm. Het Shennong Bencao Jing, de kruidenklassieker van de mythische boer-keizer Shennong, beschrijft 365 middelen. Rond 200 n.Chr. schreef Zhang Zhongjing het Shanghan Lun, over koortsziekten, met formules die nog steeds worden gebruikt. Door de eeuwen heen groeide de kennis voortdurend. In 1578 voltooide Li Shizhen het Bencao Gangmu, een enorme encyclopedie met bijna tweeduizend middelen. In de twintigste eeuw werd de traditie in China hervormd en gestandaardiseerd tot wat in het Westen nu "traditionele Chinese geneeskunde" heet.

Medisch compendium samengesteld in Korea in 1613

De Koreaanse geneeskunde, hanbang of hanui, heeft wortels in de Chinese geneeskunde, maar ontwikkelde zich door de eeuwen tot een eigen traditie. Al in de Goryeo-tijd werd Korea bekend om zijn ginseng, die naar China en Japan werd uitgevoerd. In de vijftiende eeuw zochten Koreaanse artsen bewust naar eigen, inheemse middelen, de hyangyak. In 1433 verscheen de Hyangyak Jipseongbang, een groot werk over middelen uit Korea zelf. Het belangrijkste werk is de Donguibogam, de "Kostbare spiegel van de Oosterse geneeskunde". Koning Seonjo gaf de hofarts Heo Jun (1539–1615) in 1596 de opdracht. Na de Japanse invasies en veel tegenslag voltooide Heo Jun het werk in 1610, en in 1613 werd het gedrukt. UNESCO nam het in 2009 op in het register van het werelddocumentair erfgoed.

Wortels in het Mataram-tijdperk (8e–10e eeuw); UNESCO-erfgoed sinds 2023

Jamu is de traditionele kruidengeneeskunde van Indonesië, vooral van Java en Bali. De wortels gaan ver terug. Stenen vijzels uit de vindplaats Liyangan op Midden-Java, uit het Mataram-tijdperk van de achtste tot tiende eeuw, en reliëfs op de Borobudur wijzen al op het bereiden van kruiden. Aan de hoven van Java, in Surakarta en Yogyakarta, werd de kennis verfijnd. Prinsessen en hofdames gebruikten jamu voor schoonheid en gezondheid. In de negentiende eeuw werd veel van die kennis opgeschreven. In de twintigste eeuw ontstond een grote jamu-industrie. Bekende merken zoals Nyonya Meneer, opgericht in 1919, en Sido Muncul maakten jamu tot een massaproduct. In 2023 erkende UNESCO de "jamu-cultuur" als immaterieel erfgoed.

Ontwikkeld vanaf de 8e eeuw; de Vier Tantra's herzien in de 12e eeuw

Sowa Rigpa, de "wetenschap van het genezen", is de traditionele geneeskunde van Tibet, de Himalaya en Mongolië. Ze kreeg vorm in de achtste eeuw, toen koning Trisong Detsen geneeskundigen uit India, China, Perzië en andere landen naar Tibet uitnodigde. De grondlegger volgens de traditie is Yuthok Yonten Gonpo de Oudere, een arts uit de achtste eeuw. Zijn nazaat Yuthok de Jongere herzag in de twaalfde eeuw de Gyushi, de "Vier Tantra's", het hoofdwerk van de Tibetaanse geneeskunde. In 1696 werd in Lhasa het geneeskundig college Chakpori gesticht. In de zeventiende eeuw liet de regent Desi Sangye Gyatso een reeks medische schilderingen maken, die de leer in beeld uitleggen. Na 1959 werd Chakpori verwoest. In 1961 werd in ballingschap in Dharamsala het Men-Tsee-Khang opgericht, dat de traditie voortzet.

Kruiden in deze traditie (31)

Vanaf de 5e–7e eeuw; eigen vorm vooral in de Edo-periode (1603–1868)

Kampo betekent "methode van de Han" en verwijst naar de Chinese oorsprong. Chinese geneeskunde bereikte Japan vanaf de vijfde en zesde eeuw, via Korea en direct uit China, samen met het boeddhisme en het Chinese schrift. Het oudste bewaarde Japanse medische werk is de Ishinpō, in 984 samengesteld door de hofarts Tanba no Yasuyori. In de Edo-periode (1603–1868) ontwikkelden Japanse artsen een eigen, praktische vorm. De school van de "oude formules", met artsen als Yoshimasu Tōdō, ging terug naar het Shanghan Lun en legde nadruk op wat de arts zelf waarneemt. In 1874 bepaalde de Meiji-regering dat nieuwe artsen westerse geneeskunde moesten studeren. Kampo raakte daardoor in de verdrukking. Een kleine groep artsen hield de kennis levend, en in de twintigste eeuw volgde een herleving.

Wortels in de Grieks-Romeinse oudheid; uitgewerkt in de islamitische wereld vanaf de 9e eeuw

Unani komt van het Arabische en Perzische woord Yunani, "Grieks". De traditie bouwt voort op de Griekse geneeskunde van Hippocrates en Galenus, die in de islamitische wereld werd vertaald, bewaard en sterk uitgebreid. Vanaf de negende eeuw vertaalden geleerden in Bagdad Griekse medische werken in het Arabisch. Perzische en Arabische artsen zoals ar-Razi (865–925) en Ibn Sina (980–1037) bouwden er een rijk systeem op. Ibn Sina's Canon van de geneeskunde werd eeuwenlang in de islamitische wereld en in Europa bestudeerd. Vanaf de dertiende eeuw kwam Unani met het Sultanaat van Delhi en later de Mogolkeizers naar Zuid-Azië, waar het opbloeide. Na de Britse overheersing zetten artsen als Hakim Ajmal Khan (1868–1927) zich in om de traditie te behouden. Hij stichtte in 1916 het Tibbia College in Delhi.

Kruiden in deze traditie (97)

Culturen en tradities

Europa

Bekijk regio →

Geschriften vanaf de 5e eeuw v.Chr.

De Griekse geneeskunde begon niet met artsen maar met goden. In heiligdommen van Asklepios, zoals in Epidauros en op het eiland Kos, sliepen zieken een nacht in de tempel, in de hoop dat de god hen in een droom zou genezen of raad zou geven. In de vijfde eeuw v.Chr. ontstond op Kos een andere benadering, verbonden met de naam Hippocrates (ca. 460–370 v.Chr.). De zogenoemde Hippocratische geschriften, zo'n zestig teksten van verschillende auteurs, zoeken de oorzaak van ziekte niet bij de goden, maar in het lichaam, de voeding, het klimaat en de leefwijze. Later bouwden anderen hierop voort. Theophrastos schreef in de vierde eeuw v.Chr. het eerste grote werk over planten. In de eerste eeuw n.Chr. beschreef de Griekse legerarts Dioscorides in De materia medica zo'n zeshonderd planten en hun gebruik. Galenus (129–ca. 216), een arts uit Pergamon die in Rome werkte, bracht alles samen in een enorm oeuvre dat ruim vijftienhonderd jaar de Europese en islamitische geneeskunde zou bepalen.

Kruiden in deze traditie (43)

Middeleeuwse bronnen; oudere en blijvende lokale gebruiken

Na de val van het West-Romeinse Rijk werden kloosters in Europa de bewaarplaatsen van geleerde kennis, ook van de geneeskunde. Monniken en nonnen kopieerden Latijnse en Griekse medische teksten, zodat die bewaard bleven. De regel van Benedictus, uit de zesde eeuw, bepaalt in hoofdstuk 36 dat de zorg voor zieken boven alles gaat. Kloosters kregen daarom een ziekenzaal, een apotheek en een kruidentuin. Het beroemde bouwplan van het klooster van Sankt Gallen, rond 820, toont een kruidentuin met zestien bedden naast de ziekenzaal en het huis van de arts. Ook wereldlijke heersers bemoeiden zich ermee. In de Capitulare de villis van rond 800 liet Karel de Grote vastleggen welke planten op zijn landgoederen moesten groeien: bijna honderd soorten, waaronder veel geneeskrachtige kruiden. Vanaf de tiende eeuw werd in het Italiaanse Salerno een beroemde medische school actief. In de twaalfde eeuw werkte daar ook een vrouwelijke arts, Trota, naar wie later teksten over vrouwengeneeskunde werden genoemd.

Kruiden in deze traditie (36)

12e eeuw (ca. 1098–1179); de Physica ontstond tussen 1151 en 1158

Hildegard werd in 1098 geboren in Bermersheim bij Alzey, in een adellijke familie. Op achtjarige leeftijd werd ze toevertrouwd aan het benedictijnenklooster op de Disibodenberg, waar ze opgroeide onder de hoede van Jutta van Sponheim. In 1115 legde ze haar geloften af. Na de dood van Jutta, rond 1136, werd ze magistra: de leidster van de zustergemeenschap. Vanaf 1141 schreef ze haar visioenen op in de Scivias. Rond 1150 stichtte ze met ongeveer twintig zusters een eigen klooster op de Rupertsberg bij Bingen, en in 1165 een tweede in Eibingen, aan de overkant van de Rijn. Ze schreef theologie, componeerde muziek, correspondeerde met pausen en keizers en maakte predikreizen. Voor een vrouw in de twaalfde eeuw was dat uitzonderlijk. In dezelfde jaren ontstonden haar geschriften over natuur en geneeskunde. Hildegard stierf op 17 september 1179. Eeuwenlang werd ze als heilige vereerd zonder formele heiligverklaring. Die volgde pas in 2012, en op 7 oktober van dat jaar riep paus Benedictus XVI haar uit tot kerklerares.

Voltooid in 1025; in Europa gebruikt tot in de 18e eeuw

Ibn Sina, in Europa bekend als Avicenna, werd in 980 geboren bij Buchara, in het huidige Oezbekistan. Hij was een wonderkind: als jongeman werkte hij al als arts aan het hof. Hij schreef over filosofie, wiskunde, sterrenkunde en geneeskunde, en stierf in 1037 in Hamadan, in het huidige Iran. Rond 1025 voltooide hij de Canon van de geneeskunde, al-Qanun fi al-Tibb. In vijf boeken bracht hij de Griekse geneeskunde van Hippocrates en Galenus samen met Perzische, Arabische en Indiase kennis en met eigen waarnemingen. In de twaalfde eeuw vertaalde Gerard van Cremona de Canon in Toledo in het Latijn. Vanaf de dertiende eeuw gebruikten Europese geleerden het werk, en vanaf de veertiende eeuw stond het op het programma van universiteiten. In 1472 verscheen de eerste gedrukte Latijnse uitgave, en in Padua werd de Canon nog in 1715 onderwezen.

Van middeleeuwse kruidenboeken tot de hedendaagse fytotherapie

Met de uitvinding van de boekdrukkunst kwamen in de vijftiende en zestiende eeuw de grote kruidenboeken. In 1485 verscheen in Mainz de Gart der Gesundheit. In 1542 publiceerde Leonhart Fuchs De historia stirpium, met prachtige houtsneden naar de natuur. De Lage Landen speelden een grote rol. De Mechelse arts Rembert Dodoens gaf in 1554 in Antwerpen zijn Cruydeboeck uit, een van de belangrijkste kruidenboeken van zijn tijd, dat in veel talen werd vertaald. In Engeland verscheen in 1597 het Herball van John Gerard, en in 1652 The English Physitian van Nicholas Culpeper, die de kennis in het Engels toegankelijk maakte voor gewone mensen. Vanaf de achttiende eeuw groeide de wetenschap uit de kruidenkunde. In 1785 beschreef William Withering hoe vingerhoedskruid hielp bij waterzucht door hartfalen. In de negentiende eeuw isoleerden scheikundigen werkzame stoffen uit planten, zoals morfine uit de slaapbol in 1804. In 1897 maakte Bayer aspirine, op basis van een stof die ook in wilgenbast en moerasspirea zit.

Engeland, ca. 900–1100

Uit Angelsaksisch Engeland, ruwweg van de vijfde eeuw tot de Normandische verovering in 1066, zijn opvallend veel medische teksten in de volkstaal bewaard: het Oudengels. Dat is uitzonderlijk in Europa, waar geleerde teksten meestal in het Latijn waren. Het bekendste werk is Bald's Leechbook, het "artsenboek van Bald", uit het midden van de tiende eeuw. Een aantekening aan het eind vertelt dat Bald de eigenaar was en dat een schrijver, Cild, het boek voor hem schreef. Het wordt bewaard in de British Library. Andere bronnen zijn de Lacnunga, een verzameling recepten en bezweringen, en het Oudengelse Herbarium, een vertaling van een laat-Latijns kruidenboek. Samen geven ze een rijk beeld van zorg in vroegmiddeleeuws Engeland.

Kruiden in deze traditie (13)

Eeuwenoude volksgebruiken; hedendaagse kruidenmagie vooral sinds de 20e eeuw

In heel Europa kregen planten in het volksgeloof bijzondere krachten. Ze beschermden huis en vee, brachten liefde, weerden onweer en kwade machten. Die gebruiken zijn vaak heel oud en werden later met christelijke feesten verbonden. Een mooi voorbeeld uit de Lage Landen is de kruidwis. Op Maria-Hemelvaart, 15 augustus, worden in Limburg en Belgisch-Limburg bundels van kruiden en granen gezegend. De bundel, met onder meer bijvoet en alsem, werd thuis bewaard en bij onweer in het vuur gegooid, ter bescherming tegen blikseminslag. Ook de midzomernacht, Sint-Jan op 24 juni, was een tijd voor kruiden. Sint-janskruid werd geplukt en boven de deur gehangen tegen onheil. In de negentiende eeuw verzamelden folkloristen zulke gebruiken, en in de twintigste eeuw ontstond een moderne kruidenmagie, vooral in heidense bewegingen.

Kruiden in deze traditie (161)

Culturen en tradities

Oceanië

Bekijk regio →

Duizenden generaties; specifieke geschiedenissen per gemeenschap

De Aboriginals en Torres Strait Islanders, de eerste volken van Australië, onderhouden een van de oudste levende culturen ter wereld. Archeologisch onderzoek wijst op meer dan 60.000 jaar bewoning. Voor de Europese kolonisatie waren er meer dan 250 talen, elk met een eigen land, Country, en eigen kennis. De Torres Strait Islanders, van de eilanden tussen Australië en Papoea-Nieuw-Guinea, hebben een eigen, Melanesische cultuur, die verschilt van die van de Aboriginals op het vasteland. De kolonisatie vanaf 1788 bracht ziekten, geweld, verlies van land en het weghalen van kinderen bij hun families. Veel kennis ging verloren of werd verborgen. Vanaf de jaren zeventig namen Aboriginal-gemeenschappen de zorg weer zelf in handen. In 1971 werd in Redfern, Sydney, de eerste Aboriginal Medical Service opgericht.

Māori-kennis doorgegeven over generaties

Rongoā Māori is het traditionele geneessysteem van de Māori in Aotearoa Nieuw-Zeeland. Het omvat kruidenmiddelen (rongoā rākau), behandeling van het lichaam zoals mirimiri (massage) en spirituele zorg met karakia (gebeden en bezweringen). De kennis werd mondeling doorgegeven. Toen de Polynesische voorouders van de Māori zo'n zevenhonderd jaar geleden per kano aankwamen, troffen ze een plantenwereld die grotendeels nieuw voor hen was. In generaties van zorgvuldige waarneming bouwden ze kennis op van inheemse planten als kawakawa, harakeke, mānuka en kōwhai. Toen Europeanen arriveerden, bestond er al een uitgebreid stelsel van zorg, met kennis van het lichaam en van de geneeskracht van planten. De kolonisatie bracht nieuwe ziekten, landverlies en druk om Europese geneeskunde te volgen. In 1907 nam het parlement de Tohunga Suppression Act aan, gericht tegen tohunga die genazen met een beroep op spirituele krachten. Opvallend genoeg werd de wet gesteund door invloedrijke Māori, onder wie de arts Māui Pōmare en de politicus Āpirana Ngata, uit zorg om charlatans en volksgezondheid. Er volgden weinig veroordelingen, maar rongoā verdween uit het zicht en sommige tohunga gaven hun kennis niet meer door. De wet werd pas in 1962 ingetrokken.

Duizenden jaren; gebruiken verschillen per eiland en gemeenschap

Kava (Piper methysticum) is een struik uit de peperfamilie, waarvan de wortel een licht verdovende drank geeft. De plant werd waarschijnlijk duizenden jaren geleden in Vanuatu gedomesticeerd en verspreidde zich met de Polynesische en Melanesische zeevaarders over de Stille Oceaan. Kava is diep verweven met de culturen van Fiji, Samoa, Tonga, Vanuatu, Hawaï en andere eilanden. De drank heeft vele namen: yaqona in Fiji, ʻava in Samoa, ʻawa op Hawaï. Europeanen leerden kava kennen tijdens de reizen van James Cook in de achttiende eeuw. De naturalist Georg Forster gaf de plant in 1786 haar wetenschappelijke naam, die "bedwelmende peper" betekent.

Kruiden in deze traditie (1)

Van vóór 1778; na lange onderdrukking opnieuw erkend

Lāʻau lapaʻau is de traditionele plantengeneeskunde van de inheemse Hawaïanen. De Polynesische zeevaarders die Hawaï bevolkten, brachten in hun kano's planten mee die ze nodig hadden: de "kanoplanten", zoals ʻawa, kukui, noni, ʻōlena en kī. De genezers, kahuna lāʻau lapaʻau, werden tientallen jaren opgeleid. Ze kenden de planten, de gebeden en de diagnose, en hadden een hoge status. Na de komst van westerse missionarissen in 1820 en de verspreiding van het christendom werd de traditionele geneeskunde onderdrukt. De wetten van Hawaï bestraften kahuna die genezing beoefenden met boetes of gevangenisstraf; alleen lomilomi, massage, bleef toegestaan. Pas in 1988 erkende het Amerikaanse Congres lāʻau lapaʻau in de Native Hawaiian Health Care Act.

Kruiden in deze traditie (7)

Māori-kennis over generaties; honing als modern erfgoedproduct

Mānuka (Leptospermum scoparium) is een struik of kleine boom die in heel Aotearoa Nieuw-Zeeland groeit, van de kust tot de bergen. Voor Māori is mānuka een taonga, een kostbaar bezit, verbonden met Tāne, de atua van het woud. Het harde hout werd gebruikt voor gereedschap, wapens, peddels, palissaden en brandhout. De bladeren, bast en hars werden in rongoā gebruikt. Toen James Cook in de jaren 1770 Nieuw-Zeeland bezocht, zette zijn bemanning thee van de bladeren. Daarom heet de plant in het Engels ook tea tree. In de twintigste eeuw werd mānuka wereldberoemd door de honing.