Zuid-Amerika · Kruid · № 866
Apenboom (pehuén)
Araucaria araucana
Oeroude conifeer die meer dan duizend jaar oud wordt. De grote, zetmeelrijke zaden zijn een voedzaam voedsel; de hars werd op wonden gebruikt.
Traditie in Zuid-Amerika
Eeuwenoude kennis; de machi geneest tot op vandaag

De Mapuche, 'mensen van het land', zijn het grootste inheemse volk van Chili en wonen ook in Argentinië. Hun land ligt tussen de Stille Oceaan en de Andes, met gematigde regenwouden, meren en vulkanen.
Lange tijd leefden de Mapuche van een combinatie van kleine tuinen, veeteelt, visserij en verzamelen. Ze kapten en brandden een stuk bos voor een moestuin en trokken verder als de grond uitgeput was. Wat het bos, de kust en de bergen opleverden, was minstens zo belangrijk als de oogst: vruchten, noten, wortels, paddenstoelen, zeewier en wilde granen. Spaanse kroniekschrijvers zagen dat verzamelen vaak over het hoofd, omdat zij vooral op akkerbouw letten.
De Mapuche verzetten zich eeuwenlang tegen de Spanjaarden. Na de grote opstand van 1598 bleef het gebied ten zuiden van de rivier de Biobío onafhankelijk, en de Spaanse kroon sloot verdragen met hen. Pas aan het eind van de negentiende eeuw veroverden Chili en Argentinië hun land. De Mapuche werden op kleine stukken grond gezet, de reducciones. Rondtrekken kon niet meer, en het bos waaruit ze verzamelden, verdween voor een groot deel. Hun taal en geneeskunde werden lang onderdrukt.
Toch bleef de geneeskunde bestaan. De machi, de lawentuchefe en de vroedvrouwen bleven werken, vaak in het verborgene en naast de Chileense zorg.
Gezondheid heet bij de Mapuche küme mongen: goed leven, in evenwicht met de gemeenschap, het land en de geestenwereld. Ziekte ontstaat als dat evenwicht verstoord is, bijvoorbeeld door conflicten, door het schenden van regels rond het land, of door kwade krachten.
Het woord voor medicijn is lawen. Veel plantnamen zijn opgebouwd met dat woord en vertellen waarvoor de plant dient. Cachanlagua komt van kachanlawen, 'middel tegen steken in de zij'. Een klein varentje heet llushu-lawen, 'middel voor de baby', omdat moeders er de navel van een pasgeborene mee bedekten. Andere namen beschrijven hoe een plant eruitziet of groeit. Planten waar men niets aan had, kregen vaak geen eigen naam: die vielen onder re-kachu, 'gewoon gras'.
De machi is genezer en spiritueel leider tegelijk. Meestal is het een vrouw. Ze wordt gezien als iemand die geroepen is, vaak na een ziekte of een droom, en ze bemiddelt tussen mensen en de geestenwereld. Bij haar huis staat de rewe, een gesneden stam met treden, vaak met takken van canelo.
De canelo, in het Mapudungun foye, is de heilige boom van de Mapuche. Hij staat voor goedheid, vrede en recht en werd geplant bij plekken waar mensen samenkwamen. Ook Maqui en de Chileense laurier gelden als planten van vrede en goede bedoelingen. Takken ervan gaan mee naar bijeenkomsten en versieren de rewe.
Planten dienen niet alleen bij ziekte. Er bestaan ook middelen voor liefde, voor een gezonde zwangerschap of om te weten te komen wat een zieke mankeert. Die horen bij de persoonlijke en spirituele kant van de traditie.
Er zijn verschillende genezers. De lawentuchefe is een kruidenkundige, zonder de spirituele rol van de machi. Daarnaast zijn er vroedvrouwen en botzetters.
Kennis van lawen gaat door in families en van leermeester op leerling. Een machi leert jarenlang bij een ervaren machi. Ze moet weten welke plant, en welk deel ervan, bij welke kwaal hoort, en waar en wanneer je die plant plukt.
Die kennis hangt samen met het landschap. De Mapuche onderscheiden drie streken. Lafkenmapu, het land aan zee, levert vis, schelpdieren en zeewier, zoals cochayuyo. Lelfünmapu, de vlakte, heeft bossen vol vruchten en geneeskrachtige struiken. Inapiremapu, het land bij de sneeuw in de Andes, is het gebied van de apenboom, de pewen. De Pewenche, 'mensen van de pewen', danken er hun naam aan.
Ook de tijd werd naar planten ingedeeld. De maanden kregen namen naar wat er rijp was of uitliep. Pascual Coña, een Mapuche-leider die rond 1925 zijn levensverhaal vertelde, zei dat men vroeger eigenlijk maar twee seizoenen kende: de tijd dat er wilde vruchten waren, en de tijd dat ze op waren.
De machi kent ook een ceremonie voor ernstige ziekte, de machitun. Daarin probeert ze met trommel, gezang en planten de oorzaak van de ziekte te vinden. Dit hoort bij de spirituele kant van de traditie en wordt hier niet verder beschreven.
De Mapuche-geneeskunde is mondeling en wordt doorgegeven in het Mapudungun. Spaanse kroniekschrijvers en later Chileense onderzoekers beschreven planten en gebruiken, meestal van buitenaf.
Een belangrijke bron is het werk van de Duitse kapucijner Ernesto Wilhelm de Moesbach (1882–1963). Hij kwam in 1920 als missionaris naar Chili en leerde Mapudungun. Samen met Pascual Coña schreef hij Vida y costumbres de los indígenas araucanos (1930), een levensverhaal dat Coña in zijn eigen taal vertelde. In de jaren vijftig verzamelde Moesbach alle Mapuche-plantnamen die hij kende in Botánica indígena de Chile: ongeveer 750 planten met zo'n 900 inheemse namen. Het boek verscheen pas in 1992, bezorgd door het Museo Chileno de Arte Precolombino. Volgens de bezorgers worden ongeveer 70 van die planten gegeten en zo'n 146 als geneesmiddel gebruikt.
Moesbach schreef met de blik van een missionaris van zijn tijd, en sommige plantnamen zijn inmiddels verouderd. Zijn werk laat wel zien hoe groot en precies de plantenkennis van de Mapuche is.
Opvallend veel wetenschappelijke plantnamen komen uit het Mapudungun. De Chileense natuuronderzoeker Juan Ignacio Molina maakte er in de achttiende eeuw Latijnse geslachtsnamen van: Quillaja (Zeepschors), Peumus (Boldo), Gevuina (de Chileense hazelaar) en Maytenus (Maitén). Later volgden onder meer Ugni, naar uñi (Murta), en Latua, naar de giftige latué.
Sinds de jaren negentig erkent de Chileense overheid inheemse geneeskunde meer. Het ministerie van Gezondheid heeft een programma voor gezondheid en inheemse volken, en een wet uit 2012 over patiëntenrechten erkent het recht van inheemse volken op zorg die bij hun cultuur past.
In de regio Araucanía en in steden als Santiago werken machi en kruidenkundigen nog steeds. Er zijn interculturele zorgcentra en een ziekenhuis in Nueva Imperial waar Mapuche-genezers en artsen naast elkaar werken, en patiënten zelf kiezen.
Ook het verzamelen gaat door. Elk najaar, rond april, trekken Pewenche-families naar de bossen van de apenboom om de zaden te rapen, de ngülliw. Vooraf bidden ze tot de oude man en de oude vrouw van de pewen, die de mannelijke en vrouwelijke bomen beschermen. Een pewen omhakken is verboden. De zaden worden gedroogd, gerookt of in koud water bewaard, zodat ze tot een paar jaar goed blijven. Aan de kust verzamelen families nog altijd zeewier, en op markten in het zuiden liggen nalca, murta en maqui.
De traditie staat onder druk door het verlies van land en bos. Grote plantages van den en eucalyptus hebben veel natuurlijk bos vervangen. Daarmee verdwijnen ook de lawen die de kruidenkundigen nodig hebben. Mapuche-organisaties zetten zich in voor herstel van land en bos.
De Mapuche gebruiken planten uit het bos, van de velden en uit de tuin. Veel worden als thee of afkooksel gedronken, of als wassing en kompres gebruikt.
Canelo is de belangrijkste en heilige boom. De bast is een van de meest gebruikte middelen van de machi, bij koorts, wonden en huidklachten. Het blad van Matico, in het Mapudungun pañil, is een bekend middel bij wonden en maagklachten. Culén geldt als middel bij spijsverteringsklachten en Cachanlagua als bittere thee bij koorts. Maillico is een plant van de machi uit de bergen. Het blad van de Chileense laurier wordt bij hoofdpijn gebruikt en Chilco als plasmiddel en bij koorts.
Bij lever en maag gebruikt men Boldo, in het Mapudungun folo, en ook Peumo, Bailahuén en Natre, een bittere struik tegen koorts. Pichi dient bij blaas en urinewegen, Radal bij hoest en Quinchamalí bij wonden en verkoudheid. Het blad van Maitén gold als middel tegen koorts en tegen de uitslag die de litre-struik kan veroorzaken. Arrayán wordt gebruikt als samentrekkend middel. Verder gebruikt men de bast van quillay (Zeepschors) als zeep en bij hoest, paico (Epazote) bij buikpijn en cedrón (Citroenverbena) als kalmerende thee. Zelfs de Weegbree, die met de Europeanen meekwam, kreeg een eigen naam: 'weegbree van de vreemdelingen'.
Het bos was ook een voorraadkast. De zaden van de apenboom waren een hoofdvoedsel. De bessen van Maqui, Murta en de Chileense aardbei werden vers gegeten, gedroogd voor de winter of tot een gegiste drank, muday, gemaakt. De stelen van Nalca worden geschild en rauw gegeten, en de wortel geeft zwarte verf. Vroeger verbouwde men ook een eigen graan, mangu, een soort dravik. Toen de tarwe kwam, raakte het in onbruik en nu is het vrijwel verdwenen.
Sommige planten zijn gevaarlijk en horen alleen in de handen van ervaren genezers, zoals Palqui, Tupa en vooral latué, de 'boom van de tovenaars', die dodelijk giftig is.
Veel van de kennis van de machi is spiritueel en niet bedoeld om los van de gemeenschap te gebruiken. Ceremonies zijn geen toeristische attractie. Over het gebruik van latué en andere giftige planten staat hier daarom bewust niets.
Wat over Mapuche-planten is opgeschreven, komt grotendeels van buitenstaanders, zoals missionarissen en onderzoekers. Hun beschrijvingen zijn waardevol, maar geven de kennis door een eigen bril weer. De kennis zelf hoort bij de Mapuche.
De Mapuche zijn nog steeds in conflict met de staat en bedrijven over hun land. Wie over hun geneeskunde leest, leest ook over die strijd: zonder land en bos verdwijnen de planten, en daarmee de kennis. De apenboom is in Chili wettelijk beschermd en geldt als bedreigde soort; pluk of koop geen planten uit wilde bossen zonder te weten waar ze vandaan komen.
Uit de keuken
Register
Zuid-Amerika · Kruid · № 866
Araucaria araucana
Oeroude conifeer die meer dan duizend jaar oud wordt. De grote, zetmeelrijke zaden zijn een voedzaam voedsel; de hars werd op wonden gebruikt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 873
Luma apiculata
Chileense mirte met kaneelkleurige bast, geurig blad en eetbare zwarte bessen. Traditioneel als samentrekkend middel; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 869
Haplopappus baylahuen
Harsige struik uit de composietenfamilie. Een bekende Chileense thee bij lever- en darmklachten; een werking is niet bewezen.
Zuid-Amerika · Kruid · № 282
Peumus boldus
Traditioneel toegeschreven
Leverstimulerend, urinedrijvend.
Zuid-Amerika · Kruid · № 857
Centaurium cachanlahuen
Klein, bitter kruid met roze bloempjes, familie van het Europese duizendguldenkruid. Traditioneel bij koorts en voor de spijsvertering; klinisch onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 852
Drimys winteri
Boom met een pittige, bittere bast. Als wintersbast was hij eeuwenlang een middel tegen scheurbuik; verder is de werking weinig onderzocht.
Zuid-Amerika · Kruid · № 862
Fuchsia magellanica
De wilde fuchsia, met hangende rood-paarse bloemen. Traditioneel als plasmiddel en bij koorts; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 867
Fragaria chiloensis
Wilde aardbei met grote, geurige vruchten, een van de ouders van de tuinaardbei. Het blad bevat looistoffen.
Zuid-Amerika · Kruid · № 861
Laurelia sempervirens
Hoge, groenblijvende boom met sterk geurend blad en hout. Traditioneel bij hoofdpijn en als plasmiddel; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 378
Aloysia citrodora
Traditioneel toegeschreven
Ontspannend, helpt in slaap.
Zuid-Amerika · Kruid · № 856
Grimolobium glandulosum (syn. Otholobium glandulosum, Psoralea glandulosa)
Struik uit de vlinderbloemenfamilie met klierachtig, geurend blad. Werd traditioneel gebruikt bij spijsverteringsklachten, diarree en op wonden; goed onderzoek ontbreekt.
Midden-Amerika en Caraïben · Kruid · № 460
Dysphania ambrosioides (syn. Chenopodium ambrosioides)
Sterk geurend keukenkruid dat traditioneel tegen darmwormen en winderigheid wordt gebruikt. De etherische olie bevat ascaridol, dat wormen doodt maar ook voor mensen giftig is.
Zuid-Amerika · Kruid · № 863
Caltha sagittata
Lage plant uit de ranonkelfamilie met pijlvormig blad en roomwitte bloemen. Familie van de dotterbloem; werkzame stoffen en werking zijn niet onderzocht.
Zuid-Amerika · Kruid · № 859
Maytenus boaria
Sierlijke boom met hangende twijgen en fijn blad, dat vee graag eet. Traditioneel bij koorts en huiduitslag; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 851
Aristotelia chilensis
Struik met donkerpaarse bessen, rijk aan anthocyanen. Het blad werd traditioneel bij wonden en keelpijn gebruikt. Gezondheidsclaims van 'superfood'-producten zijn niet bewezen.
Zuid-Amerika · Kruid · № 853
Buddleja globosa
Struik met oranje bolvormige bloemen. Het blad bevat ontstekingsremmende stoffen zoals verbascoside; klinisch onderzoek naar wondgenezing ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 864
Ugni molinae
Struik uit de mirtefamilie met geurige rode bessen. Vooral een voedingsplant; het blad werd als samentrekkend middel gebruikt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 865
Gunnera tinctoria
Reuzenplant met bladeren tot twee meter breed. De geschilde stelen zijn eetbaar; wortel en stelen zijn rijk aan looistoffen.
Zuid-Amerika · Kruid · № 858
Solanum crispum (incl. S. ligustrinum)
Struik uit de nachtschadefamilie met zeer bitter blad. Traditioneel een koortsmiddel; de bessen zijn giftig.
Zuid-Amerika · Kruid · № 868
Cestrum parqui
Snelgroeiende, onaangenaam ruikende struik uit de nachtschadefamilie. Alle delen zijn giftig door alkaloïden.
Zuid-Amerika · Kruid · № 860
Cryptocarya alba
Groenblijvende boom uit de laurierfamilie met geurig blad en eetbare rode vruchten. Traditioneel bij lever- en gewrichtsklachten; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 870
Fabiana imbricata
Struikje uit de nachtschadefamilie dat op een conifeer lijkt. Traditioneel bij blaas- en urinewegklachten en voor de spijsvertering; laboratoriumonderzoek wijst op een maagbeschermend effect.
Zuid-Amerika · Kruid · № 871
Quinchamalium chilense
Halfparasitisch kruid met oranjegele bloemen in hoofdjes. Traditioneel bij wonden en verkoudheid; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 872
Lomatia hirsuta
Boom uit de proteafamilie met grote, getande bladeren en mooi getekend hout. Traditioneel bij hoest; onderzoek ontbreekt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 874
Lobelia tupa
Forse lobelia met rode bloemen en vilt blad. Bevat lobeline en andere alkaloïden; giftig.
Europa · Kruid · № 86
Plantago major
Het blad wordt traditioneel gekneusd op insectenbeten, kleine wondjes en schaafplekken gelegd en als thee bij hoest gebruikt. Klinisch bewijs is beperkt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 324
Quillaja saponaria
Traditioneel toegeschreven
Slijmoplossend, reinigend, ontstekingsremmend.