Volgens UNESCO zijn de rondtrekkende genezers uitsluitend mannen. Vrouwen spelen een grote rol bij rituelen, zorgen voor zwangeren en kinderen, en weven textiel met betekenisvolle motieven. Volgens Bastien verzamelen en drogen zij ook de kruiden en kennen ze er veel van. In Kaata zijn er vrouwelijke waarzeggers, die ongeluk van iemand wegnemen en het aan de rivier meegeven.
Elk dorp heeft van oudsher een eigen vak, en de dorpen ruilen diensten en producten. Chajaya en Curva zijn de dorpen van de kruidengenezers, Kaata dat van de waarzeggers. Mannen uit Upinhuaya haalden hars uit het regenwoud en verkochten die als wierook, en bewoners van Calaya handelden in coca.
Volgens Girault komen de echte genezers uit zes dorpen rond Charazani: Curva, Chajaya, Khanlaya, Huata Huata, Inka en Chari; uit Charazani zelf en uit Amarete kwamen ze nooit. In de jaren zestig telde hij er samen zo'n 230. Al toen trokken er 'nieuwe Kallawaya' rond, uit andere streken en zelfs uit Peru, die vooral kaartlegden. De echte genezers noemden hen oplichters, die soms mensen doodden met giftige kruiden.
Kennis gaat van vader op zoon, van oom op neef of van peetvader op peetkind. Een leerling reist jaren mee met een ervaren genezer, soms tot acht jaar, en leert onderweg de planten, de klachten en de behandeling. Bastien telde bij een ervaren genezer zo'n honderd planten, mineralen en dierlijke middelen in dagelijks gebruik; beroemde genezers uit de negentiende eeuw zouden er driehonderd hebben gekend.
Girault beschrijft dat een jongen vanaf zijn achtste of tiende met meesters uit zijn eigen dorp meereisde, een paar maanden of een paar jaar, en daarna een soort examen aflegde voor de dorpsraad. Wie later genoeg wist, kon maestro of watapurichi worden en kreeg een hartvormige meteorietsteen, koillur rumi, die hij als bescherming om de hals droeg. Elk dorp had zijn eigen reisgebied, en wie de regels van de ouderen brak, kon zwaar gestraft worden. Rond 1910 vertrokken de genezers van Chajaya in maart naar Chili, in juni naar Peru en in juli naar Ecuador, Colombia en Panama, en met nieuwjaar waren ze terug; die van Curva bleven soms twee of drie jaar weg. Een genezer kende gemiddeld 300 tot 350 planten; Girault werkte met Lucas Ortiz uit Chajaya, die er meer dan 600 kon noemen. Onderweg in de auto liet Ortiz soms stoppen, liep recht op een plant af en plukte haar, terwijl hij het gesprek gewoon voortzette.
De Kallawaya hebben een eigen vaktaal, het Machaj Juyai, die alleen bij het genezen en in rituelen wordt gesproken. Taalkundigen zien er veel woorden uit het uitgestorven Puquina in, met een grammatica uit het Quechua, en ook woorden uit het Aymara en andere talen. De taal is ernstig bedreigd. Girault schreef er meer dan 4500 woorden van op en zag dat ze ook woorden heeft voor landbouw, vee en het gezinsleven, en dus meer is dan een geheim jargon.
Om te ontdekken wat iemand mankeert, werpen genezers cocabladeren of leggen ze kaarten, voelen ze de pols en bekijken ze de urine. Sommige waarzeggers wrijven een cavia over het lichaam en lezen daarna de ingewanden. Zo komen ook ruzies, schuld en geschonden taboes ter sprake.
Hoe zo'n offer verloopt, beschreef Gerardo Fernández Juárez bij Severino Vila in La Paz. Een mesa is een maaltijd voor de geesten, en elke gast krijgt wat hij lekker vindt. Voor Gloria, de hemel van de heiligen en de bliksem, maakt Severino zes of twaalf nestjes van witte katoen op wit papier, elk tegen de klok in rondgedraaid. In elk nestje komen anjerblaadjes, een suikerklontje, een 'mysterie' (een suikertablet met een afbeelding van een heilige, de maan of een kruis), lamavet, wierook, loodfiguurtjes en een snipper blad goud of zilver. Bij elk nestje roept hij een heilige aan, zoals Santiago, San Juan of de Maagd van Copacabana, en besprenkelt het met zoete wijn. Daarna houdt hij de mesa boven het hoofd van de zieke, die er drie keer op ademt, en laat hij hem rustig verbranden op houtskool. Deze mesa helpt bij schrik door de bliksem en bij bloedneuzen die daarvan komen.
De mesa voor Pachamama is uitbundiger. Op een bed van cocabladeren komen anjers, gekleurde lamawol, q'uwa (een geurig kruid van de hoogvlakte), suikerfiguren van een 'oom' en een 'tante' (de duivelse heersers van de mijnen), een pad en een slang, lamavet, wierook en kopal. Bovenop ligt een lamafoetus, ingesmeerd met vet en beladen met blad goud en zilver, als een lastdier vol rijkdom. Severino biedt hem aan alle bergen aan, van de Akamani tot de Illimani, en de mesa verbrandt met alcohol en bier in hoge vlammen. Als het ei erin knallend openbarst, is het offer goed ontvangen. De mesa voor de chullpa, de voorouders in de oude graven, is sober: coca, schapenwol, kantuta, quinoa, een ei voor Ankari en een foetus van een schaap of varken, met rauw vet in plaats van lamavet. Bij een graf in Chajaya begroef Severino die mesa tussen de botten.
Tegen pech door hekserij laat Severino een bad koken van retama en twaalf soorten doornige planten, de ch'api mesa. De zieke wast zich ermee en het badwater gaat naar een kruising van wegen. Rösing zag bij rouw iets vergelijkbaars. De genezer bindt de nabestaanden linksgesponnen draad om hals, polsen en enkels en legt nestjes van wol op hun borst, die het verdriet opzuigen. Aan de rivier breekt hij de draden, de nabestaanden wassen zich met een brouwsel van doornen en trekken schone kleren aan, en ze lopen langs een andere weg terug zonder om te kijken.
Girault liet zich ook 150 amuletten uitleggen, meestal gesneden uit witte steen, de berenguela. Elk teken heeft een vaste betekenis. Een driehoek beschermt tegen ongeluk en kwade wezens; een hand met munten in de palm trekt geld aan; een liefdespaar helpt in de liefde; een stier of lama zorgt voor een goede oogst of kudde, en geribbelde vlakken staan voor akkers. Een hand met één armband is voor getrouwden, met twee armbanden voor vrouwen. Kleine stenen 'mesa's' met een huis, vee en akkers worden met coca, lamavet en wijn bij het huis begraven voor voorspoed. Figuren uit zwarte steen dienen juist om kwaad te doen, net als de zwarte mesa's, die het kwaad terugsturen naar wie het veroorzaakte of zich tegen een vijand richten; die beschrijven we hier niet.