Een taita leert jarenlang bij een oudere genezer. Hij leert de planten, de gezangen en de diëten, en neemt onder leiding van zijn leraar de 'dokters' in. Bij het genezen schudt de taita een bladerbundel of ratel boven de zieke, blaast hij tabaksrook over het lichaam en strijkt hij de ziekte eruit, terwijl hij zingt.
Vrouwen kennen vaak de meeste wilde geneeskrachtige planten. Ze verzamelen ze voor de genezer of voor het huishouden, en wie een kleine verwonding heeft, gaat eerder naar een kruidenvrouw dan naar een taita. Soms is die kruidenvrouw de vrouw van de taita.
De taita's van Sibundoy kweken eigen vormen van Brugmansia, die alleen in de vallei voorkomen: struiken met smalle, vergroeide of 'aangevreten' bladeren, zoals kinde borrachero en munchiro borrachero. Ze worden alleen uit stekken gekweekt en zijn eigendom van de genezers. De sterkste vorm is culebra borrachero, die vroeger als een apart geslacht, Methysticodendron, werd beschreven. Daarnaast gebruiken ze Iochroma als laxeermiddel en roesmiddel, en Desfontainia als ze 'willen dromen'. Volgens de taita's worden de sterkste van die planten minder gebruikt dan vroeger, omdat ze zwaar zijn voor lichaam en geest.
Uit het laagland komen yagé, chiricaspi en guayusa, die de taita's van Sibundoy en Mocoa een middel tegen alles noemen. De Inga van het laagland drinken elke ochtend yoco.