Midden-Amerika en Caraïben · Voeding · № 818
Achiote
Bixa orellana
De rode zaden worden als kleurstof en specerij gebruikt; traditioneel ook als middel.
Traditie in Zuid-Amerika
In de Vaupés in het noordwesten van de Amazone; een levende traditie
In het noordwesten van de Amazone, langs de Vaupés, de Apaporis, de Pirá Paraná en hun zijrivieren, op de grens van Colombia en Brazilië, wonen de Tukano-volken. Ze spreken verwante talen uit de Tukano-familie: de Tukano zelf, die zich ye'pâ-masa noemen, en de Desana, Barasana, Makuna, Wanano, Kubeo en anderen. Een man trouwt met een vrouw uit een groep met een andere taal. Daardoor groeien kinderen op met de taal van hun vader, die van hun moeder en vaak nog meer, en klinken in één maloca, het grote gemeenschapshuis, meerdere talen.
Volgens hun verhalen kwamen de eerste mensen uit de Melkweg in een kano die door een anaconda werd getrokken: een man en een vrouw met drie planten, maniok, coca en yajé. Op hun weg stroomopwaarts stichtten ze de plaatsen van de volken. Bij de monding van de Pirá Paraná in de Apaporis, vlak bij de evenaar, staat een grote rotstekening die de plek aanwijst waar ze aankwamen.
Vanaf de negentiende eeuw kwamen kooplieden, missionarissen en vooral rubberzoekers het gebied in. De Duitse etnoloog Theodor Koch-Grünberg, die er van 1903 tot 1905 woonde, zag bij zijn terugkeer verlaten dorpen en schreef over moord en mishandeling door de rubberbaronnen. Toch bleven grote delen van de Vaupés bewoond door de volken zelf, beschermd door watervallen en stroomversnellingen.
De Zon-Vader schiep de wereld, de planten en de dieren. Hij gaf wezens de taak om de schepping en de vruchtbaarheid te bewaken, maar schiep ook het kwaad, om de mensen te straffen als ze de gebruiken niet volgen. Bossen, rivieren, watervallen en bergen worden bewoond door geesten. De Meester van de Dieren, Vai-mahsé, woont in de rotsheuvels en verschijnt als een kleine rode jager; de Meester van de Vissen woont in de watervallen.
Wie jaagt of vist zonder dat de genezer om toestemming heeft gevraagd, krijgt ziekte, slangen of storm over zich. Ook geschonden voedselregels, afgunst en betovering maken ziek. Een veelvoorkomende ziekte is susto, schrik: angst voor bovennatuurlijke straf, waardoor iemand moe wordt en niet meer eet.
De wereld is één groot lichaam. Rivieren zijn anaconda's, waarvan de stroomversnellingen de schubben zijn. De maloca is het heelal: het dak is de hemel, de palen zijn de bergen, de mannendeur ligt in het oosten waar de zon opkomt en de vrouwendeur in het westen. Yajé is een navelstreng die de mensen met de oertijd verbindt, en de rode besjes van kana zijn 'harten aan een draad', de generaties die elkaar opvolgen. Rood, de kleur van bloed, staat voor leven en kracht. Daarom kleurt de genezer zijn handen rood met sap van een Philodendron voordat hij een zieke onderzoekt, en schildert een moeder rode stippen van achiote op haar baby.
De genezer heet in het Spaans payé. De Barasana onderscheiden de kumu, die zingt en zegent, en de yai, de jaguarsjamaan, die in trance in een jaguar zou kunnen veranderen. Het ambt is niet erfelijk. Een jongen met een goed geheugen, een goede stem en belangstelling voor de mythen en de dieren wordt leerling. Hij vast, leeft zonder seks, eet maandenlang alleen maniok en water, neemt vaak yajé en tabak, en leert eindeloze gezangen over de geschiedenis van zijn volk en de geesten waarmee hij moet praten. Na één of twee jaar volgt een dans waarop de leraar zijn leerlingen veren, kralen en een ratel geeft.
Bij een behandeling zingt de genezer, schudt hij zijn ratel, blaast hij tabaksrook en zegent hij water, voedsel of planten met zijn adem. Pas daarna, of als dat niet helpt, geeft hij planten. Gewone mensen, en vooral vrouwen, kennen zelf ook veel middelen. Bij longklachten drinkt men een afkooksel van Justicia pectoralis, bij ontstoken ogen druppelt men thee van Cayaponia, een bloedende wond krijgt het poeder van cojamba, en bij slapeloosheid en susto geeft de genezer Souroubea.
Vrouwen bewerken de maniokvelden; de genezers noemen hen 'voedselmoeders'. De mannen planten op een apart veld coca, tabak, yajé en de visgiffen, en plukken elke dag coca. Bij het stampen van de cocabladeren 's avonds vertelt de genezer de verhalen van de oorsprong. Met Virola-snuif spreekt hij met de geesten.
De kennis is mondeling. Ze leeft in de gezangen, in de verhalen die bij elke waterval en stroomversnelling horen, en in de rotstekeningen langs de rivieren, die volgens de volken door de eerste wezens zijn gemaakt. De beelden op de wanden van de huizen zijn volgens de Tukano wat men ziet als men yajé drinkt.
Theodor Koch-Grünberg beschreef de volken in Zwei Jahre unter den Indianern (1909–1910). Later volgden onder anderen Irving Goldman over de Kubeo (1963), Gerardo Reichel-Dolmatoff over de Desana en de kosmologie van de Tukano (1968, 1971 en 1975) en Stephen Hugh-Jones over de Barasana (1979). Schultes werkte er in de jaren 1940 en 1950 en beschreef de planten met de genezers, onder meer in The Healing Forest (1990) en Vine of the Soul (1992).
In 2011 zette UNESCO de traditionele kennis van de jaguarsjamanen van Yuruparí op de representatieve lijst van het immaterieel erfgoed van de mensheid. Die kennis is van de volken langs de Pirá Paraná.
De Tukano-volken wonen in grote inheemse reservaten in de Vaupés en het aangrenzende Brazilië. Volgens UNESCO houden de jaguarsjamanen van Yuruparí een kalender van rituelen bij, met gezangen en dansen die mensen en land gezond moeten houden. Jongens leren de regels voor gezondheid en de zorg voor het land bij de inwijding, en vrouwen geven hun kennis door over de zorg voor kinderen en zwangeren en over het bereiden van voedsel.
Hun leven staat onder druk door goudwinning, gewapende groepen, de drugshandel en de trek van jongeren naar de stad. De gemeenschappen langs de Pirá Paraná werken met de Colombiaanse overheid aan een plan om hun kennis en hun heilige plaatsen te beschermen.
De volken leven tussen regenwoud, zwarte rivieren en open zandsavannes met tafelbergen. Vlak bij de malocas staan perzikpalmen, en op de velden groeien tientallen soorten maniok, die de vrouwen aan kleur en herkomst herkennen.
De mannen kweken coca, tabak en yajé, en mengen het cocapoeder met de as van de bladeren van de guarumoboom. Uit het bos halen ze de bast van Virola voor snuif, en bij de huizen groeien Justicia en Cayaponia. Op de savannes groeit Souroubea, en op de vochtige bosbodem de rode parasiet cojamba. Op de tafelbergen staan veel planten die nergens anders voorkomen; volgens de volken wonen daar de Meesters van de Dieren.
De Yuruparí-riten, met de heilige trompetten, horen bij de mannen van deze volken en zijn geheim; vrouwen mogen ze niet zien. We beschrijven ze daarom niet. Ook de inwijdingsriten en de gezangen van de genezers laten we weg.
Curare, de visgiffen en de aronskelken die vrouwen als voorbehoedmiddel gebruiken, laten we weg, omdat ze giftig zijn of omdat het kennis van de vrouwen zelf is.
Cocablad en DMT, de werkzame stof van Virola-snuif, staan op lijst I van de Opiumwet. Yajé hoort bij de ceremonies van de volken zelf.
Register
Midden-Amerika en Caraïben · Voeding · № 818
Bixa orellana
De rode zaden worden als kleurstof en specerij gebruikt; traditioneel ook als middel.
Zuid-Amerika · Kruid · № 901
Banisteriopsis caapi
Reusachtige liaan, tot dertig meter lang. De stengel bevat harmine, harmaline en tetrahydroharmine, die het enzym MAO remmen. Daardoor wordt de DMT uit planten als chacruna via de mond werkzaam. De drank geeft visioenen, en meestal braken en diarree, wat in de traditie als reiniging geldt.
Zuid-Amerika · Kruid · № 985
Cayaponia ophthalmica
Klimplant uit de komkommerfamilie, door Schultes beschreven; de soortnaam betekent 'voor het oog'. De chemie is onbekend; komkommerachtigen bevatten vaak bittere, prikkelende cucurbitacinen.
Zuid-Amerika · Kruid · № 183
Erythroxylum coca
Het blad bevat een kleine hoeveelheid cocaïne en andere alkaloïden. Kauwen of thee wordt in de Andes gebruikt tegen honger, vermoeidheid en hoogteziekte; het bewijs voor dat laatste is beperkt. Uit het blad werd cocaïne geïsoleerd, het eerste lokale verdovingsmiddel, dat tegenwoordig vooral een verslavende drug is.
Zuid-Amerika · Kruid · № 984
Helosis cayennensis
Een plant zonder bladgroen die parasiteert op de wortels van bomen en struiken (familie Balanophoraceae). Ze lijkt op een jonge paddenstoel, tot blijkt dat de 'hoed' een roodbruine kolf is vol piepkleine bloemetjes. De werking is nauwelijks onderzocht.
Zuid-Amerika · Kruid · № 908
Virola theiodora (en verwante Virola-soorten)
Boom uit de nootmuskaatfamilie met bloedrode hars in de bast. De hars bevat veel 5-MeO-DMT en DMT, en ook bètacarbolines. Als snuif geeft ze binnen enkele minuten opwinding, gevoelloosheid van de ledematen, misselijkheid en visioenen.
Zuid-Amerika · Kruid · № 981
Justicia pectoralis (syn. Dianthera pectoralis)
Laag, kruipend kruid uit de acanthusfamilie. Het gedroogde blad ruikt sterk naar hooi door cumarine en umbelliferon. Meldingen van tryptaminen in de plant zijn niet bevestigd.
Zuid-Amerika · Kruid · № 982
Souroubea guianensis
Lage struik of klimplant uit de familie Marcgraviaceae, met nectarbekers die vlinders en nachtvlinders lokken. Uit twee verwante soorten uit Midden-Amerika (S. sympetala en S. gilgii) haalden onderzoekers stoffen die bij dieren angst verminderen: betulinezuur en amyrinen. Bij mensen is dat nauwelijks onderzocht.
Midden-Amerika en Caraïben · Kruid · № 819
Nicotiana rustica
Ceremoniële plant van veel inheemse volken in Amerika. Tabak is verslavend en schadelijk voor de gezondheid.