Bij de Kwakwaka'wakw zijn er sjamanen, die genezen met hun kracht, met zingen en met zuigen. De meeste middelen in Boas' verzameling werden echter thuis gemaakt, door een man voor zijn vrouw, een vrouw voor haar man of kind, of een broer voor een broer.
Als een vrouw al lang met pijn in het lichaam in bed ligt, hakt haar man langs de rivier vier stammen van de duivelsknots. Thuis brandt hij de stekels af, schilt de bast en kookt die een hele dag. Zijn vrouw gaat op een plankje boven de tobbe met het hete afkooksel zitten, onder twee dekens, tot ze het niet meer uithoudt. Soms gaat er een handvol zaad van de kale lomatium bij, 'want dat is een heel sterk middel'. Dat zaad wordt ook gekauwd en op een pijnlijk hoofd of lichaam geblazen, of bij keelpijn en hoest in de mond gehouden.
Bij het ophoesten van bloed gaat de man met de kano naar een rivier om bast van de rode els te hakken, 'de enige ware kracht van de rivieroever'. De vrouw houdt stukjes in haar mond en slikt het sap door. Bij diarree kookt men de wortelbast van de hemlockspar een hele dag met toppen van jeneverbes, de wortel van de dubbelloofvaren en die van de zoethoutvaren, en drinkt het vier keer, telkens een theekopje. Bij oude zweren en brandwonden legt men water op de geklopte wortelbast van de westelijke hemlockspar tot het rood wordt, of strooit men gedroogde bast van de zalmbes erop. Bij pijn in de maagkuil drinkt de zieke een afkooksel van waterdrieblad in plaats van water. Op zwellingen legt men warm gekookte bladeren van de zwarte twinbes, en op een pijnlijke schouder het gestampte eenbloemig wintergroen, dat een blaar trekt.
Wie bloed ophoest, bewaart wat hij uitspuwt in cederbast. Dat wordt in vier plaatjes koper gevouwen en in de spleet van een dikke wilde appelboom gestoken. 'Nu ben je gevangen', zegt de man tegen de ziekte, 'kijk niet meer om naar mijn vrouw.'