Noord-Amerika · Kruid · № 955
Amerikaans zoethout
Glycyrrhiza lepidota
Vlinderbloemige met lange, taaie, zoete wortels, verwant aan het echte zoethout. De wortel smaakt naar zoethout; hij bevat minder glycyrrhizine dan Glycyrrhiza glabra.
Traditie in Noord-Amerika
Op de noordelijke prairies sinds de achttiende eeuw; een levende traditie

De Lakota zijn het westelijkste volk van de Oceti Sakowin, de Zeven Raadsvuren, die buitenstaanders de Sioux noemden. Hun oostelijke verwanten zijn de Dakota en de Nakota. De Lakota zelf bestaan uit zeven groepen, onder wie de Oglala, de Sičháŋǧu (Brulé) en de Hunkpapa. In het Engels worden ze ook Teton-Sioux genoemd.
Volgens de geschiedschrijving woonden hun voorouders bij de westelijke Grote Meren en werden ze in de zeventiende eeuw door de Anishinaabe en de Cree naar het westen gedrongen. Rond 1730 kregen ze het paard, en de jacht op de bizon werd hun bestaan. Volgens hun eigen overlevering kwam het volk ooit uit Wind Cave in de Black Hills tevoorschijn; hun trek naar het westen was dus een terugkeer naar huis. De Black Hills, Ȟe Sápa, werden het centrum van hun land.
In de verhalen bracht de Witte Bizonkalfvrouw de heilige pijp en leerde ze het volk de ceremonies. In de negentiende eeuw sloten de Lakota verdragen met de Verenigde Staten, in 1851 en 1868, die hun de Black Hills toezegden. Toen daar goud werd gevonden, hield de regering zich niet meer aan het verdrag. Na de Slag bij de Little Bighorn in 1876 werden de groepen naar reservaten gedwongen. In 1890 werd Sitting Bull op Standing Rock gedood, en twee weken later doodde het leger bij Wounded Knee meer dan 250 Lakota, onder wie veel vrouwen en kinderen.
Op de reservaten verbood de regering de Zonnedans en andere ceremonies. Rond 1912 schreef de etnologe Frances Densmore dat het genezen met heilige stenen en het bezweren van zieken verboden waren, maar dat enkele oude mannen zieken met kruiden mochten blijven behandelen.
Wakȟáŋ betekent heilig of geheimzinnig: alles wat een kracht heeft die de mens te boven gaat. Wakȟáŋ Tȟáŋka, het Grote Geheimzinnige, is de som van die krachten. Een plant, een steen of een dier kan wakȟáŋ zijn.
Kracht om te genezen kwam niet uit een boek of een opleiding, maar uit een droom of visioen. Niemand behandelde een zieke zonder een droom die hem dat opdroeg, en elke genezer behandelde alleen de ziekten waarvoor zijn droom hem de middelen gaf. De genezer Shooter legde Densmore uit dat een genezer niet van alle kruiden probeerde te dromen, want dan zou hij in alles falen. Volgens hem verloren de genezers daarom hun kracht toen er met de blanken zoveel nieuwe ziekten kwamen.
De beer gold als het dier dat de kruiden kent, omdat hij met zijn klauwen wortels uitgraaft. De das graaft nog dieper; zijn middelen waren voor kinderen.
Ziekte en genezing horen bij de verhouding tussen mensen, dieren, planten en de geesten. Wie geneest, zingt het lied dat bij het kruid hoort, en vraagt Wakȟáŋ Tȟáŋka dat het kruid zijn werk doet. Eagle Shield zei voor hij een kind een middel gaf: 'Wakȟáŋ Tȟáŋka, u hebt deze kruiden gemaakt. We gaan ze aan dit kind geven. We hopen dat u het kind beter maakt.'
De Lakota vertelden Densmore over drie manieren van genezen. De hoogste genezers werkten met de heilige stenen; zij konden ook mooi weer roepen en traden in de Zonnedans op als bemiddelaar. Wie bezwoer, heette wapíya, 'wie herstelt'. Wie met kruiden genas, heette pezu'ta wica'hu, 'wie zijn vertrouwen stelt in de wortels van kruiden'. Een genezer kon meer dan één manier gebruiken, maar stond bekend om de manier die hij het meest gebruikte.
Eagle Shield kreeg zijn middelen voor volwassenen van de beer en die voor kinderen van de das. Hij bewaarde ze in een tas van nertsvel en begroef een beetje tabak als offer voor de das wanneer hij een wortel uitgroef. Hij behandelde wonden met duizendblad, 'het kruid voor de gewonden', dat hij kauwde en op de wond legde. Zo genas hij een man die dwars door het lichaam was geschoten; zijn loon was honderd dollar, een tent, een revolver en een stier. Botbreuken wreef hij drie keer per dag in met de wortel van de wilde nachtschone in vet, onder een spalk van ongelooid bizonvel. Bij nierpijn gaf hij blauwe prairiesla, bij bloedingen en oorpijn de prairiehoed, en bij hoofdpijn liet hij de verpoederde wortel van de prairie-alsem op gloeiende kolen roken, om de rook in te ademen. Met de wortel van het wild zoethout zong hij een berenlied, maar nooit vaker dan drie keer: 'Mijn klauw is heilig, alle dingen zijn heilig.'
Voor kinderen gebruikte hij onder meer de Canadese fijnstraal bij diarree en buikpijn. Hij gaf het middel met een lepeltje van wit bot en zei dat je de thee moest ruiken om de sterkte te beoordelen.
Bear-with-White-Paw zong één lied voor al zijn kruiden. Bij een zieke droeg hij een ketting met twee zakjes medicijn en een berenklauw, die hij in de huid drukte zodat het middel beter naar binnen kon. Hij gebruikte de smalbladige echinacea bij kiespijn, buikpijn en ontstoken amandelen, de bloemen van de wilde bergamot bij koorts en een zware verkoudheid, en het prairie-parelzaad bij het ophoesten van bloed.
Een andere bekende ceremonie van zuivering en genezing is de inípi, de zweethut. De naam betekent ongeveer 'ze maken zich opnieuw levend'.
De kennis is mondeling en wordt in de ceremonies doorgegeven. De winterkalenders, beschilderde huiden met per jaar één beeld, houden de geschiedenis bij.
Frances Densmore nam in de jaren 1910 op de reservaten Standing Rock en Sisseton honderden liederen op met een fonograaf. In Teton Sioux Music (1918) schreef ze ook op wat de genezers haar over hun kruiden vertelden. Ze liet de planten bij het Smithsonian op naam brengen. Melvin Gilmore beschreef in 1919 de planten van de volken langs de Missouri, met de Dakota- en Lakotanamen.
Black Elk, een Oglala-genezer, vertelde zijn visioenen aan John Neihardt, die ze in 1932 uitgaf als Black Elk Speaks, en later aan Joseph Epes Brown, voor The Sacred Pipe. Sioux-schrijvers en -geleerden, zoals Vine Deloria Jr., hebben sindsdien zelf over hun geschiedenis en godsdienst geschreven.
De herbalist Stephen Buhner haalde in Sacred Plant Medicine (1996) veel van Densmores gegevens aan. Wij volgen hier Densmore zelf, omdat Buhner enkele middelen door elkaar haalt.
De meeste Lakota wonen op vijf reservaten in South Dakota: Pine Ridge, Rosebud, Lower Brule, Cheyenne River en Standing Rock, dat ook in North Dakota ligt. Andere gemeenschappen liggen in Nebraska, Montana en de Canadese prairieprovincies. In 1980 kende het Hooggerechtshof de Sioux-naties een schadevergoeding toe voor het afnemen van de Black Hills. Ze weigeren het geld, omdat aannemen hun aanspraak op het land zou beëindigen. Met rente staat er nu meer dan een miljard dollar op de rekening.
Sinds de American Indian Religious Freedom Act van 1978 zijn de ceremonies weer beschermd. De Zonnedans, de zweethut en het visioenzoeken worden gehouden, en het Lakota wordt op scholen en colleges onderwezen. In 2016 trokken duizenden mensen naar Standing Rock om te protesteren tegen een oliepijpleiding onder de Missouri, met de leus 'Mni wičóni', water is leven.
Op de prairie groeien de kruiden die in Densmores aantekeningen staan. Het duizendblad voor wonden, de smalbladige echinacea, volgens Gilmore het middel dat bij de meeste kwalen werd gebruikt, en de wilde bergamot, die de Lakota bij buikpijn en koorts koken.
Het prairiewildemanskruid bloeit als eerste in het voorjaar, vaak nog tussen de sneeuw. In het Lakota heet de bloem hokší čhekpa, 'navel van een kind', omdat de knop lijkt op de genezende navel van een pasgeboren baby. De Dakota noemen haar 'tweelingbloem', omdat een plant meestal twee bloemstelen heeft. Gilmore schreef dat de volken van de prairie over bijna elke plant en elk dier verhalen en liederen hadden.
De prairiesalie wordt gebrand om te zuiveren; Gilmore schrijft dat elke ceremonie met salie begon. Samen met tabak, veenreukgras en ceder hoort salie bij de vier heilige middelen van veel volken op de prairie. De grondpruim heet in het Dakota pte ta wote, 'bizonvoedsel'; de Lakota gaven hem aan paarden als medicijn.
In 1993 namen Lakota-, Dakota- en Nakota-leiders een verklaring aan tegen het misbruik van hun spiritualiteit. Ze vroegen niet-inheemse mensen om geen zweethutten, pijpceremonies of visioenzoektochten te leiden of te verkopen. In 2003 vroeg de hoeder van de Witte Bizonkalfpijp buitenstaanders om niet meer mee te doen aan de Zonnedans. Daarom staat hier niets over het uitvoeren van die ceremonies.
De kennis in dit verhaal werd door Densmore en Gilmore opgeschreven, maar komt van genezers als Eagle Shield, Bear-with-White-Paw, Shooter en Jaw. Ze hoort bij hun families en gemeenschappen.
Sommige prairieplanten zijn giftig. Gebruik het prairiewildemanskruid alleen uitwendig. Veel soorten Astragalus lijken op de grondpruim en zijn wel giftig.
Uit de keuken
Er staat nog geen recept uit deze traditie op de site. Deze recepten gebruiken wel kruiden die zij kent.
Register
Noord-Amerika · Kruid · № 955
Glycyrrhiza lepidota
Vlinderbloemige met lange, taaie, zoete wortels, verwant aan het echte zoethout. De wortel smaakt naar zoethout; hij bevat minder glycyrrhizine dan Glycyrrhiza glabra.
Noord-Amerika · Kruid · № 963
Lactuca tatarica subsp. pulchella (syn. L. pulchella)
Wilde sla met blauwe bloemhoofdjes en melksap, die met uitlopers grote groepen vormt. Werking niet onderzocht.
Noord-Amerika · Kruid · № 959
Erigeron canadensis (syn. Conyza canadensis)
Eenjarige composiet met een rechte, behaarde stengel en talloze kleine witte bloemhoofdjes. Bevat vluchtige olie, looistoffen en flavonoïden; de olie werd vroeger als 'oil of erigeron' bij bloedingen en diarree gebruikt.
Europa · Kruid · № 56
Achillea millefolium
Traditioneel gebruikt om kleine wondjes te stelpen, bij koorts en verkoudheid en als bitter voor de spijsvertering. Klinisch bewijs is beperkt.
Noord-Amerika · Kruid · № 14
Echinacea purpurea
Onderzocht voor verkoudheid en luchtweginfecties. Mogelijk verkleint het de kans op verkoudheid enigszins; effect op duur en andere aandoeningen is onzeker.
Midden-Amerika en Caraïben · Kruid · № 820
Artemisia ludoviciana
Bitter, aromatisch kruid dat in Mexico bij buikpijn en spijsverteringsklachten wordt gebruikt.
Noord-Amerika · Voeding · № 962
Astragalus crassicarpus
Lage vlinderbloemige met paarsroze bloemen en dikke, ronde peulen die als kleine pruimen op de grond liggen. Alleen de jonge peulen zijn eetbaar.
Noord-Amerika · Kruid · № 956
Artemisia frigida
Laag, zilvergrijs, sterk geurend alsemstruikje. Bevat vluchtige olie met kamfer en cineol, en, zoals andere alsems, thujon.
Noord-Amerika · Kruid · № 960
Lithospermum incisum (syn. L. linearifolium)
Ruwbladige met gele trompetvormige bloemen en een rode wortel, verwant aan het Chinese parelzaad (zi cao). Werking niet onderzocht.
Noord-Amerika · Kruid · № 958
Ratibida columnifera (syn. R. columnaris)
Composiet met hangende gele of roodbruine straalbloemen rond een lang, zuilvormig hart, dat geurt als het gekneusd wordt. Werking niet onderzocht.
Noord-Amerika · Kruid · № 954
Pulsatilla nuttalliana (syn. P. patens subsp. multifida)
Laag ranonkelachtig kruid met behaarde, paarse bloemen, die verschijnen voor de bladeren. Zoals andere wildemanskruiden bevat het verse kruid protoanemonine, dat de huid en slijmvliezen sterk prikkelt en blaren trekt.
Midden-Amerika en Caraïben · Kruid · № 819
Nicotiana rustica
Ceremoniële plant van veel inheemse volken in Amerika. Tabak is verslavend en schadelijk voor de gezondheid.
Noord-Amerika · Kruid · № 824
Hierochloe odorata
Zoet geurend gras dat bij ceremonies wordt gebrand.
Noord-Amerika · Kruid · № 961
Monarda fistulosa
Lipbloemige met lila bloemen en sterk geurend blad, verwant aan de bergamotplant. De vluchtige olie is rijk aan carvacrol en thymol, die ontsmettend werken.
Noord-Amerika · Kruid · № 957
Mirabilis nyctaginea (syn. Allionia nyctaginea)
Verwant aan de nachtschone (Mirabilis jalapa), met een dikke penwortel en kleine roze bloemen die 's middags opengaan. De wortel werkt bij inname sterk laxerend.