Goddard onderscheidde drie soorten genezers. De dansende dokter stelt vast wat iemand mankeert, wat de oorzaak is en wat er moet gebeuren. De zuigende dokter, kitetau, zuigt de 'pijn' uit het lichaam. Daarnaast zijn er de medicijnmakers, die één of meer formules van hun ouders of familie hebben geleerd. Wie dokter wilde worden, moest maandenlang onder leiding van een oude dokter vasten en dansen, zonder water, met alleen eikelsoep als voedsel, tot de kracht kwam. Het loon werd vooraf betaald, en moest terug als de patiënt binnen een jaar stierf.
De penseeldans is een medicijndans voor een kind dat ziek of zwak is, of voor een gezin dat al kinderen verloor. In de formule leeft in het midden van de wereld een oude vrouw met haar kleindochter. De kleindochter krijgt een baby, die al voor de geboorte ziek is. Op aanwijzing van de grootmoeder zoekt de jonge moeder een middel, vindt wilde gember en stoomt het kind ermee. Daarna zoekt ze een kruid om in de mond van de baby te leggen. Ze volgt een drijvend mandje over de rivieren tot aan de zee, tot een oude vrouw het naar de hemel houdt en er bast van de gele den in valt.
De vrouw die de dans leidt, staat op bij dageraad en klopt op de zuid-, noord- en westhoek van het huis, om de mensen van de onderwereld te vragen de ziel van het kind terug te geven. Ze beschildert gezicht, polsen, schouders, enkels, dijen en borst zwart. Met een meisje zoekt ze de bast van de gele den en harshout van de douglasspar, zonder te eten of te drinken. 's Avonds kookt ze de bast en baadt het kind, wuift brandende harsstokken boven het kind en brandt wierookwortel. Dan komen de dansers binnen, met takken voor hun gezicht, en dansen tot de ochtend. Op de derde dag gebeurt alles nog eens, met nog meer mensen.