Andes; kennis doorgegeven over generaties
De Kallawaya wonen in de provincie Bautista Saavedra, ten noorden van La Paz in Bolivia, in de dalen van het Apolobamba-gebergte rond het stadje Charazani, op ongeveer 2700 tot 5000 meter. Ze staan in de hele Andes bekend als rondtrekkende genezers. Volgens UNESCO gaan hun wortels terug tot vóór de Inca's, tot de culturen van Tiwanaku en Mollo.
Het oudste spoor is een graf bij Niño Korin, vlak bij Charazani, uit de tijd van Tiwanaku, ruwweg 600 tot 1000 na Christus. Er lagen snuifplankjes, buisjes die als klisteerspuiten worden uitgelegd, een vijzel en bundels guayusablad dat na al die eeuwen nog cafeïne bevatte. Dat blad groeit niet in de Andes, maar in het Amazonelaagland. Volgens de antropoloog Joseph Bastien lag er ook een schedel met drie geboorde gaten waarvan het bot weer was aangegroeid: de patiënt had de operatie overleefd.
Onder de Inca's hadden de Kallawaya een bijzondere plaats. Volgens de kronieken droegen zij de draagstoel van de Inca, en de kroniekschrijver Guaman Poma tekende hen zo aan het begin van de zeventiende eeuw.
De historicus Thierry Saignes zocht in de archieven van La Paz, Sucre en Sevilla naar hun verleden. Volgens hem vormden de Kallawaya vóór de Inca's een eigen vorstendom op de oostflank van de Andes, van de bergketens van Carabaya en Apolobamba tot de warme heuvels richting het Amazonegebied. Carabaya en Callawaya zijn twee spellingen van dezelfde naam; de Spanjaarden splitsten het gebied later in een Peruaanse en een Boliviaanse helft. Een Kallawaya-hoofdman, Ari Capaquiqui, zou voor de Inca de weg naar het laagland van de 'Chunchos' hebben gevonden en mocht daarom zelf in een draagstoel reizen. Opvallend is dat geen enkele kroniekschrijver de Kallawaya als genezers noemt. Pas in 1766 beschreef de kanunnik Martín Landaeta mannen uit Charazani die met zakken harsen, wierook en geneeskrachtige kruiden het hele onderkoninkrijk doortrokken. Saignes denkt daarom dat de rondtrekkende genezers pas in de koloniale tijd zijn ontstaan, misschien zelfs pas in de achttiende en negentiende eeuw.
In 1889 stuurde het departement La Paz een lijst van de planten van de 'Callahuaya' naar de wereldtentoonstelling in Parijs. Rond 1900 reisden genezers uit Chajaya en Curva te voet, per trein en per boot tot in Argentinië, Chili, Ecuador en Peru, en volgens de overlevering behandelden sommigen bij de aanleg van het Panamakanaal arbeiders tegen malaria en gele koorts. De Franse etnograaf Louis Girault hoorde dat het om zeven mannen uit Khanlaya ging, die via Peru en Ecuador en per stoomboot langs de kust van Colombia naar Panama reisden en er een paar maanden bleven. Verhalen dat Kallawaya in Tokio, Parijs of Rome zelfs een paus genazen, noemden zijn zegslieden verzinsels, al vonden ze het niet erg dat die de ronde deden. Toen er in de loop van de twintigste eeuw meer artsen en apotheken kwamen, werden de genezers bestreden: sommigen werden gearresteerd, anderen weggezet als heksenmeesters.
In 2003 riep UNESCO de "Andeskosmovisie van de Kallawaya" uit tot meesterwerk van het immaterieel erfgoed, en in 2008 werd ze opgenomen op de representatieve lijst.
Kruiden in deze traditie (59)
Lees meer over deze traditie →
Oude Guaraní-drank; vandaag gedeeld in delen van Zuid-Amerika
De Guaraní wonen al eeuwen in het gebied van het huidige Paraguay, het noordoosten van Argentinië, het zuiden van Brazilië en delen van Bolivia. Hun taal, het Guaraní, is in Paraguay een officiële taal naast het Spaans en wordt door het grootste deel van de bevolking gesproken.
De Guaraní dronken al lang voor de Europeanen kwamen een aftreksel van de bladeren van maté (Ilex paraguariensis), in het Guaraní ka'a. Ze gebruikten het als drank, als middel en bij rituelen.
In de zeventiende eeuw richtten jezuïeten in dit gebied missiedorpen in, de reducciones, waar Guaraní woonden en werkten. De jezuïeten slaagden erin maté te telen, die eerst alleen in het wild werd verzameld, en verkochten de bladeren in heel Zuid-Amerika als "jezuïetenthee". In 1767 werden de jezuïeten verdreven, maar het matédrinken bleef.
Kruiden in deze traditie (3)
Lees meer over deze traditie →
Eeuwenoude kennis; de machi geneest tot op vandaag
De Mapuche, 'mensen van het land', zijn het grootste inheemse volk van Chili en wonen ook in Argentinië. Hun land ligt tussen de Stille Oceaan en de Andes, met gematigde regenwouden, meren en vulkanen.
Lange tijd leefden de Mapuche van een combinatie van kleine tuinen, veeteelt, visserij en verzamelen. Ze kapten en brandden een stuk bos voor een moestuin en trokken verder als de grond uitgeput was. Wat het bos, de kust en de bergen opleverden, was minstens zo belangrijk als de oogst: vruchten, noten, wortels, paddenstoelen, zeewier en wilde granen. Spaanse kroniekschrijvers zagen dat verzamelen vaak over het hoofd, omdat zij vooral op akkerbouw letten.
De Mapuche verzetten zich eeuwenlang tegen de Spanjaarden. Na de grote opstand van 1598 bleef het gebied ten zuiden van de rivier de Biobío onafhankelijk, en de Spaanse kroon sloot verdragen met hen. Pas aan het eind van de negentiende eeuw veroverden Chili en Argentinië hun land. De Mapuche werden op kleine stukken grond gezet, de reducciones. Rondtrekken kon niet meer, en het bos waaruit ze verzamelden, verdween voor een groot deel. Hun taal en geneeskunde werden lang onderdrukt.
Toch bleef de geneeskunde bestaan. De machi, de lawentuchefe en de vroedvrouwen bleven werken, vaak in het verborgene en naast de Chileense zorg.
Kruiden in deze traditie (27)
Lees meer over deze traditie →
Duizenden jaren; honderden volken met eigen kennis
Het Amazonegebied is het grootste tropische regenwoud ter wereld. Het strekt zich uit over Brazilië, Peru, Colombia, Ecuador, Bolivia, Venezuela, Guyana, Suriname en Frans-Guyana. Er wonen honderden inheemse volken, elk met een eigen taal en eigen kennis van het bos.
Mensen wonen hier al minstens tienduizend jaar. Ze veranderden het bos ook: ze teelden cassave, palmen en vruchtbomen en maakten vruchtbare zwarte aarde, terra preta. In het westen van het Amazonegebied, in het huidige Ecuador, werd Cacao al meer dan vijfduizend jaar geleden gebruikt.
Na de komst van de Europeanen stierven veel mensen aan ziekten en geweld. Rond 1900 eiste de rubberhausse opnieuw een zware tol: in sommige streken werden hele volken tot dwangarbeid gedwongen en uitgemoord.
Kruiden in deze traditie (15)
Lees meer over deze traditie →
Wortels in de Moche-cultuur (100–800); een levende traditie
Het noorden van Peru loopt van de kustwoestijn bij Trujillo, Chiclayo en Piura via het droogbos en de bergen tot in het Amazonegebied. Weinig streken ter wereld hebben zo'n rijke geneeskrachtige flora. De Peruaanse antropologe Lupe Camino noemde het noorden een deel van de 'gezondheidsas' van de Andes, een gebied van Zuid-Ecuador tot Noord-Bolivia waar genezers al heel lang planten verzamelen en ruilen.
De traditie is oud. Archeologen vonden resten van de San Pedro-cactus op vindplaatsen die duizenden jaren oud zijn. De Moche, die tussen ongeveer 100 en 800 aan deze kust leefden, beeldden genezers af op hun aardewerk, net als de San Pedro, de zaden van cabalonga en die van ishpingo. In het graf van de Heer van Sipán, een Moche-vorst, zijn resten van zulke planten gevonden.
Op het Moche-aardewerk staat ook een raadselachtige, kommavormige vrucht met een groot kelkje, die onderzoekers ulluchu noemen. Hij hangt aan de gordels van krijgers en boodschappers en zweeft rond priesters en offerscènes, en echte vruchten zijn in graven gevonden. Welke plant het is, weet niemand zeker. Bussmann en Sharon denken aan een Guarea, een boom uit het Amazonegebied waarvan de zaden giftige alkaloïden bevatten, en vermoeden dat de Moche die bij offers en misschien als snuif gebruikten. Dat is een hypothese, die nog niet door chemisch onderzoek is bevestigd. Ook de naam is onzeker: de archeoloog Rafael Larco Hoyle gebruikte hem in de jaren dertig, maar in de woordenboeken van het Mochica komt hij niet voor.
Na de Spaanse verovering vermengde de inheemse geneeskunde zich met het katholicisme en met Spaanse ideeën over ziekte. In de jaren 1780 liet bisschop Baltasar Martínez Compañón van Trujillo alles in zijn bisdom beschrijven en schilderen, ook de nuttige planten. Volgens de botanicus Rainer Bussmann en de antropoloog Douglas Sharon wordt ongeveer 40 procent van die planten nog op de markten van de kust verkocht. Een derde wordt alleen nog in het Amazonegebied gebruikt, en de rest raakte in onbruik. Tegelijk kwamen er veel nieuwe planten bij. Volgens hen konden genezers in Peru vrijer experimenteren dan in Ecuador, waar traditionele geneeskunde lang werd vervolgd.
Kruiden in deze traditie (48)
Lees meer over deze traditie →
In de Sibundoy-vallei in Zuid-Colombia sinds eeuwen; een levende traditie
De Sibundoy-vallei ligt op ruim tweeduizend meter hoogte in de Andes van het departement Putumayo, in het zuiden van Colombia. Ten oosten ervan dalen de bergen steil af naar het Amazonelaagland. Al eeuwen wonen er twee volken naast elkaar. De Kamëntšá, ook Camsá genoemd, spreken een taal die met geen enkele andere taal verwant is. De Inga spreken Inga Kichwa, een vorm van Quechua. Die taal kwam misschien met de Inca's of later met de missionarissen, en de Inga zelf zien zich als verwant aan de Inca's.
Van het begin van de twintigste eeuw tot het eind van de jaren 1960 bestuurden kapucijner missionarissen de vallei. Ze namen veel van het land van de Kamëntšá en Inga in, lieten hen voor de missie werken en bestreden hun gebruiken. Toch bleef de kennis van de genezers bestaan.
De genezers van Sibundoy heten taita's. Ze staan in heel Colombia bekend als kruidengenezers die rondtrekken en op de markten van Bogotá, Pasto en Quito planten verkopen en patiënten behandelen. Vanaf de jaren 1940 werkte de botanicus Richard Evans Schultes in de vallei met de Kamëntšá-taita Salvador Chindoy. Ook diens verwant Pedro Chindoy werd ver buiten de vallei bekend.
Kruiden in deze traditie (6)
Lees meer over deze traditie →
In de Vaupés in het noordwesten van de Amazone; een levende traditie
In het noordwesten van de Amazone, langs de Vaupés, de Apaporis, de Pirá Paraná en hun zijrivieren, op de grens van Colombia en Brazilië, wonen de Tukano-volken. Ze spreken verwante talen uit de Tukano-familie: de Tukano zelf, die zich ye'pâ-masa noemen, en de Desana, Barasana, Makuna, Wanano, Kubeo en anderen. Een man trouwt met een vrouw uit een groep met een andere taal. Daardoor groeien kinderen op met de taal van hun vader, die van hun moeder en vaak nog meer, en klinken in één maloca, het grote gemeenschapshuis, meerdere talen.
Volgens hun verhalen kwamen de eerste mensen uit de Melkweg in een kano die door een anaconda werd getrokken: een man en een vrouw met drie planten, maniok, coca en yajé. Op hun weg stroomopwaarts stichtten ze de plaatsen van de volken. Bij de monding van de Pirá Paraná in de Apaporis, vlak bij de evenaar, staat een grote rotstekening die de plek aanwijst waar ze aankwamen.
Vanaf de negentiende eeuw kwamen kooplieden, missionarissen en vooral rubberzoekers het gebied in. De Duitse etnoloog Theodor Koch-Grünberg, die er van 1903 tot 1905 woonde, zag bij zijn terugkeer verlaten dorpen en schreef over moord en mishandeling door de rubberbaronnen. Toch bleven grote delen van de Vaupés bewoond door de volken zelf, beschermd door watervallen en stroomversnellingen.
Kruiden in deze traditie (9)
Lees meer over deze traditie →